Ann Brusseel dient motie van aanbeveling in bij beleidsbrief Onderwijs 2010-2011

Ann Brusseel: "Samen met mijn collega's Marleen Vanderpoorten, Irina De Knop, Fientje Moerman en Sven Gaz ben ik er van overtuigd dat Vlaanderen meer en betere inspanningen kan leveren op het vlak van onderwijs.

Ann Brusseel: "Samen met mijn collega's Marleen Vanderpoorten, Irina De Knop, Fientje Moerman en Sven Gaz ben ik er van overtuigd dat Vlaanderen meer en betere inspanningen kan leveren op het vlak van onderwijs.

Ann Brusseel: “ Gelet op de strategische en de operationele doelstellingen uit de beleidsbrief, het engagement om verder in te zetten op de troeven van het onderwijs in Vlaanderen op een dusdanige wijze dat men evenwel niet blind is voor de
verbeteringen die aangebracht moeten worden en de bijzondere motivatie die leerkrachten en ander personeel in het onderwijs aan de dag leggen bij de uitoefening van hun baan,
vroegen wij de Vlaamse Regering rekening te houden met 32 punten in haar Onderwijsbeleid voor 2010-2011:"

  1. gelet op de eerder beperkte budgettaire mogelijkheden, voldoende duidelijk aan te geven welke concrete keuzes er qua beleidsprioriteiten zullen worden gemaakt;
  2. het uitvoeren van evaluaties en onderzoeken geen excuus te laten worden om bepaalde dossiers op de lange baan te schuiven. Terwijl nu al bepaalde conclusies kunnen worden getrokken, zou men die beter inderdaad ook trekken. Nuttige inzichten, goede maatregelen en veelbelovende projecten moeten worden ingepast in een duidelijk strategisch kader voor de toekomst;
  3. bijzondere aandacht te blijven hebben voor de specifieke onderwijssituatie in Brussel en andere grote steden;
  4. gelet op het belang van een goede talenkennis enerzijds en de feitelijke toestand inzake de taalbeheersing anderzijds, volop in te zetten op maatregelen die het taalonderricht in zowel het Nederlands als de vreemde talen daadwerkelijk ten goede komen. Scholen moeten worden aangespoord om gebruik te maken van de mogelijkheden om al in het basisonderwijs aan taalgewenning te doen;
  5. de studiefinanciering automatisch toe te kennen;
  6. gelet op de wetenschappelijke bevinding dat leerachterstand al in een zeer vroeg stadium begint, maatregelen uit te werken om de instroom in het kleuteronderwijs (kleuterparticipatie) te stimuleren vanaf een zo jong mogelijke leeftijd. Eventuele taalachterstand als bepalende factor voor een leerachterstand moet in een zo vroeg mogelijk stadium worden gedetecteerd zodat die op een passende wijze kan geremedieerd worden;
  7. een grondige evaluatie door te voeren van de taalproef als instrument en van het al dan niet slagen voor die test als toelatingscriterium voor het eerste leerjaar. Evenzeer moet de aandacht gaan naar het detecteren van mogelijke problematische en onregelmatige aanwezigheid in de loop van het schooljaar en naar de detectie en remediëring van een leerachterstand. De taakverdeling tussen de beleidsdomeinen Onderwijs en Vorming en Kind & Gezin moet daarbij worden geëxpliciteerd en, indien nodig, bijgestuurd;
  8. onderzoek te verrichten naar de impact van het vervroegen van de inschrijvingsplicht;
  9. bij het nieuwe omkaderingssysteem terdege aandacht te schenken aan de noodzaak van kleinere kleuterklassen en daarvoor dan ook de nodige middelen uit te trekken;
  10. ervoor te ijveren om wetenschap en techniek een structurele plaats te geven binnen het basisonderwijs, zodat leerlingen hun talenten kunnen ontdekken en een positieve attitude ten aanzien van die vakken kunnen ontwikkelen;
  11. zonder afbreuk te doen aan de noodzakelijkheid van een breed maatschappelijk debat over de hervorming van het secundair onderwijs, niet onnodig te dralen, gefaseerd te werken en de grootste knelpunten nu al aan te pakken door passende maatregelen tenemen om de hoge ongekwalificeerde uitstroom in Vlaanderen verder in te dijken;
  12. ook met het oog op die hervorming van het secundair onderwijs na te gaan waar de lerarenopleiding moet worden aangepast; tevens voldoende aandacht te hebben voor de persoonlijke begeleiding van de jonge beginnende leerkracht;
  13. gerichter gekwalificeerd personeel in het vijfde en zesde leerjaar van het basisonderwijs in te zetten om beter de kloof te kunnen dichten met de eerste graad van het secundair onderwijs;
  14. de nascholing van leerkrachten, die beduidend lager is dan die in het buitenland, te stimuleren;
  15. in de onderhandelingen aangaande het totale lerarenloopbaanpact geen enkel onderwerp uit de weg te gaan en zonder taboes te durven spreken;
  16. de situatie rond het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap nauwgezet op te volgen en HBO5 snel te implementeren;
  17. in het bijzonder in het nijverheidsonderwijs, waar het gebruik van machines een noodzakelijk onderdeel vormt van de opleiding, ter zake blijvend te zoeken naar de meest efficiënte samenwerkingsmogelijkheden via de RTC’s (regionale technologische centra) met het bedrijfsleven en de VDAB (Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding). Daarbij is het cruciaal dat RTC’s (eventueel decretaal) verplicht worden om een gestructureerd aanbod voor het secundair onderwijs uit te werken in samenwerking en in overleg met de sectoren, zodat het aanbod aansluit op de behoeften van de sectoren;
  18. op een structurele wijze aandacht te besteden aan herinnerings- en vredeseducatie in het kader van een vorming en opvoeding die uitgaat van een open kijk op mens en maatschappij en die invulling tracht te geven aan de begrippen ‘burgerzin’ en ‘democratie’;
  19. werk te maken van het al lang aangekondigde decreet in verband met de leerzorg. In het kader van de leerzorg te komen tot een model dat de principes van inclusief onderwijs enerzijds en een vernieuwde structuur voor het buitengewoon onderwijs die beantwoordt aan de huidige vereisten anderzijds, op een aanvullende wijze met elkaar combineert. Het voorzien in voldoende omkadering via onder meer de zorg- en de gon-uren (geïntegreerd onderwijs) is daarbij essentieel voor het welslagen;
  20. ongewenste effecten van de regeling aangaande de maximumfactuur te remediëren en de nodige bijsturingen zo snel mogelijk te treffen, zodat die nog kunnen ingaan in het volgende schooljaar; naast een flexibilisering van het systeem moeten daarbij minimaal de bedragen van de scherpe maximumfactuur voor het kleuteronderwijs worden opgetrokken;
  21. na te gaan in hoeverre de mogelijkheden inzake het tweedekansonderwijs en het levenslang leren op een meer optimale wijze kunnen worden benut;
  22. gelet op de enorme behoeften ter zake en tevens gelet op de demografische verwachtingen, volop in te zetten op een inhaalbeweging voor een duurzame en energiezuinige infrastructuur in het leerplichtonderwijs en daarvoor voldoende middelen uit te trekken;
  23. bijzondere aandacht te besteden aan het bereiken van een goede mix in de leerlingenpopulatie en aan het bewaken van de vrije schoolkeuze;
  24. snel de nodige conclusies te trekken uit de evaluatie van de participatie van leerlingen, ouders en leraren aan het beleid van basisscholen en secundaire scholen. Niet te talmen met de bijsturing van het Participatiedecreet en het leerlingenstatuut op basis daarvan te verstevigen;
  25. werk te maken van een gezamenlijk aanbod ‘levensbeschouwing’ zodat in de derde graad van het secundair onderwijs godsdienstvergelijking met andere erkende godsdiensten mogelijk wordt;
  26. snel te voorzien in een decretaal initiatief inzake het deeltijds kunstonderwijs (dko) om onder meer duidelijkheid te verschaffen over de verdere rol, de opdracht en de plaats van die onderwijsvorm binnen het onderwijslandschap ten overstaan van het leerplichtonderwijs en verder inspanningen te leveren om het dko te verbreden en te verdiepen;
  27. blijvend in te zetten op de aanpak van antisociale gedragspatronen zoals pesten en spijbelen en te voorzien in omkadering voor de preventie van zelfdoding en psychische problemen;
  28. de impact van de invoering van een niet-bindende oriëntatieproef in het hoger onderwijs te onderzoeken;
  29. maatregelen te nemen voor een vlotter gebruik van andere talen in het hoger onderwijs;
  30. gelet op de bijzondere ervaring die studeren in het buitenland inhoudt, de mogelijkheden daartoe verder te promoten;
  31. te voorzien in degelijke ondersteuning voor Vlaamse ouders die met kinderen in het buitenland gaan wonen, zowel op het vlak van het faciliteren van Nederlandstalig onderwijs als op het vlak van het verstrekken van voldoende informatie daarover;
  32. bij de codificatie van de Vlaamse onderwijsregelgeving te streven naar wetsmatiging en het schrappen van irrelevante regelgeving.

Deze motie van aanbeveling werd op 23/12/2010 verworpen in de plenaire vergadering.

Motie van aanbeveling 745 (2010-2011) – Nr. 5 Open Vld bij beleidsbrief Onderwijs 2010-2011

Dossierverloop

Beleidsbrief Onderwijs 2010-2011