Anderstaligen in het Brussels Nederlandstalig onderwijs: wel draagkracht!

Ann Brusseel: “Ik ben zeer ontevreden met deze uitspraken, ze zijn niet gebaseerd op ernstig onderzoek en zijn ronduit stigmatiserend voor de kinderen uit niet-Nederlandstalige gezinnen.”

Ann Brusseel: “Ik ben zeer ontevreden met deze uitspraken, ze zijn niet gebaseerd op ernstig onderzoek en zijn ronduit stigmatiserend voor de kinderen uit niet-Nederlandstalige gezinnen.”

Omdat minister Smet beweert dat alle experten het eens zijn over het feit dat minstens 30% van de leerlingen per klas het Nederlands als moedertaal moet hebben om de kwaliteit van het onderwijs te garanderen, verzocht Vlaams volksvertegenwoordiger Ann Brusseel hem in een schriftelijk parlementaire vraag de wetenschappelijke fundering van die 30% te geven. Het antwoord bestaat uit citaten uit studies die niet specifiek over taal maar wel over een reeks sociale factoren gaan. De aangehaalde “experten” zijn geen linguïsten die taalontwikkeling bij kinderen en meertaligheid bestuderen. Het gaat om algemene onderwijsstudies waarin andere feiten onderzocht werden, niet de impact van de thuistaal. Bovendien moest de minister in zijn antwoord plotseling toegeven dat het veel moeilijker is empirisch aan te tonen hoe groot precies het minimumpercentage “native speakers” moet zijn om een behoorlijk niveau aan te houden. Dat is afhankelijk van een heleboel factoren.

Ann Brusseel: “Eindelijk. Ikzelf zeg al maanden tegen de minister dat het Brussels onderwijs niet simpelweg met een taalprobleem kampt, maar eerst en vooral met de gevolgen van moeilijke sociaaleconomische omstandigheden waarin veel kinderen opgroeien in de hoofdstad. Daarom pleit ik ook al maanden voor meer gerichte ondersteuning van leerlingen uit kansarme milieus en ten tweede vraag ik ook dat leerplannen en methodes zouden aangepast worden aan de meertalige context van Brussel. Bovendien verschillen de noden van wijk tot wijk. Ik word hierin bijgetreden door een aantal vooraanstaande professoren en onderzoekers.”

Professor Piet Van de Craen, hoogleraar taalwetenschap en decaan van de letterenfaculteit van de VUB stelt dat het zeker onjuist is dat alle experten het eens zijn. “Niets is minder waar. Er is in binnen- en buitenland aangetoond dat een deel van het curriculum onderwijzen in een andere taal een cognitieve meerwaarde betekent voor het kind. Niet in om het even welke andere taal maar in een belangrijke taal voor de leefwereld en de ontwikkeling van het kind. Waar alle experten het wel over eens zijn, is dat meertaligheid bij kinderen wel kan, als je er de nodige middelen voor uittrekt en de juiste methodes gebruikt.”

Doctor Sonja Janssens voerde een onderzoek naar de taalvaardigheid (Nederlands en Frans), attitudes en motivatie van Nederlandstalige en Franstalige leerlingen in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Uit dit onderzoek bleek dat Nederlandstalige leerlingen geen nadelen ondervinden van de diversiteit in de Brusselse scholen, ook niet in vergelijking met Vlaamse leeftijdsgenoten. Dit onderzoek toonde ook aan dat de Franstalige leerlingen inderdaad als tweetaligen afstuderen aan het einde van het secundair onderwijs. Volgens Sonja Janssens moet men de onderwijsmethoden durven veranderen opdat deze beter zouden overeenstemmen met de bestaande populatie, eerder dan de populatie te willen dwingen in een keurslijf omwille van allerlei praktische redenen.

Ann Brusseel: “We zijn het erover eens dat de problemen die leerkrachten ondervinden in het Nederlandstalig onderwijs niet mogen geminimaliseerd worden. Ik denk dat we best sleutelen aan het aanbod en de lesmethodes eerder dan aan de taalkundige samenstelling van de leerlingenpopulatie. Enerzijds verheugt het mij dat de minister nu inziet dat meerdere factoren een rol spelen. Ik hoop dan ook dat hij nu zal ophouden met anderstalige kinderen verantwoordelijk te stellen voor de kwaliteit van het Nederlandstalig onderwijs, wat hij herhaaldelijk deed in het parlement en in de media.”

Verslag SV 257 over kwaliteit in het Nederlandstalig onderwijs