Andere aanpak toelatingsexamen arts en tandarts

Na twee bijkomende deliberaties en een rapport van de Vlaamse ombudsman dat de examencommissie op de vingers tikt, is het duidelijk dat er wat schort aan de organisatie van het toelatingsexamen voor arts en tandarts. Ook het onderzoek ‘Het toelatingsexamen (tand)arts: een sociografische schets van de deelnemers’, van de sociologen Roggemans en Spruyt (VUB), bevestigt dat de proef voor verbetering vatbaar is.

Na twee bijkomende deliberaties en een rapport van de Vlaamse ombudsman dat de examencommissie op de vingers tikt, is het duidelijk dat er wat schort aan de organisatie van het toelatingsexamen voor arts en tandarts. Ook het onderzoek ‘Het toelatingsexamen (tand)arts: een sociografische schets van de deelnemers’, van de sociologen Roggemans en Spruyt (VUB), bevestigt dat de proef voor verbetering vatbaar is.

Het toelatingsexamen arts is extreem moeilijk. In 2013 slaagden slechts 16,2% van alle deelnemers. In 2014 vroeg Ann Brusseel opnieuw de slaagcijfers aan de minister op, uitgesplitst per provincie. Dit jaar slaagde uiteindelijk 20%. “Op zich is een toelatingsproef een goede zaak en deze mag ook best wel streng zijn. Het zorgt ervoor dat de geslaagde studenten het zeer goed doen tijdens de studie. Er blijken echter enkele problemen te zijn, van uiteenlopende aard.”, aldus Ann Brusseel.

Het toelatingsexamen bestaat uit twee grote delen. Een gedeelte toetst de kennis wetenschappen en wiskunde, aan de hand van meerkeuzevragen. Dat beïnvloedt de manier waarop kandidaten antwoorden (al dan niet gissen) en zorgt voor een specifieke berekening van het resultaat, wat niet in iedereens voordeel is. Een tweede deel van het examen peilt naar sociale vaardigheden en de capaciteiten van de student om informatie te begrijpen en te verwerken. In dit onderdeel speelt taalvaardigheid een grote rol en zelfs de kennis van medische terminologie.

Ten eerste zien we dat Brusselse deelnemers aanzienlijk minder slagen, net als jongeren uit Antwerpen, Mechelen of Oostende. De slaagkansen zijn bovendien zeer ongelijk verdeeld naar sociale achtergrond, zelfs bij leerlingen die eenzelfde sterke ASO richting volgden. Zo heeft een leerling die Latijn-Wiskunde volgde en twee laaggeschoolde ouders heeft, een slaagkans van 10,4%. De slaagkans van een leerling die dezelfde richting volgde en twee hooggeschoolde ouders heeft, bedraagt 23,6%. De moeilijkheid voor de kinderen van laaggeschoolde of anderstalige ouders ligt niet bij de wetenschappelijke kennistest, ze hebben het eerder moeilijk met de nuances in taal. “Dat is bijzonder jammer, want het jargon leer je tijdens je opleiding en om een goede arts te zijn moet je geen taalvirtuoos zijn.”

Ten tweede nemen dubbel zoveel vrouwen deel aan het examen als mannen. De slaagkans van vrouwen op het toelatingsexamen (tand)arts is echter slechts de helft van deze van jongens. Dat verschil heeft te maken met de toegepaste GIS-correctie. Vrouwen zijn bij twijfel meer geneigd vragen open te laten dan mannen. “Het is voor mij niet aanvaardbaar dat meisjes minder kans maken te slagen door de methode van het examen. Meisjes zijn even geschikt om arts te worden als jongens. Het feit dat meisjes over het algemeen in hoger onderwijs zeer goede studieresultaten behalen, toont aan dat we hier veel potentiële artsen verliezen.”, stelt Ann.

“Een toelatingsexamen mag best wel een strenge selectie zijn, maar dit is niet goed, omdat het niet rechtvaardig is. Je kans om arts te worden mag niet afhangen van de opleiding van je ouders, of van de taal die je thuis spreekt, of van je geslacht. Ik zal in de commissie onderwijs voorstellen om het toelatingsexamen aan te passen en zo dit probleem aan te pakken.”