Actualiteitsdebat aanpak leefbaarheids- en veiligheidsproblematiek Brussel

Actualiteitsdebat over de mogelijke bijdrage vanuit de Vlaamse bevoegdheden aan de aanpak van de leefbaarheids- en veiligheidsproblematiek in Brussel

De voorzitter: Mijnheer Decaluwe, de minister-president was verleden week ook 7 minuten te laat. Vandaag is minister Smet te laat.

Actualiteitsdebat over de mogelijke bijdrage vanuit de Vlaamse bevoegdheden aan de aanpak van de leefbaarheids- en veiligheidsproblematiek in Brussel

De voorzitter: Mijnheer Decaluwe, de minister-president was verleden week ook 7 minuten te laat. Vandaag is minister Smet te laat.

Minister, ik heb vorige week ook een opmerking gemaakt ten aanzien van de minister-president. Van mij wordt geëist dat ik om 14 uur stipt begin. U weet dat er een actualiteitsdebat is. Ik wil vragen aan alle leden van de regering dat ze om 14 uur stipt aanwezig zijn. Als u een interview wilt geven aan Villa Politica, dan moet u de nieuwe truc toepassen die ik toepas. Ik geef het interview 5 minuten voor ze me vragen. Zo stoor ik de vergadering niet. Ik vind niet dat de parlementsleden hier een aantal minuten moeten wachten. (Applaus bij CD&V, Vlaams Belang, Open Vld, N-VA en LDD)

Mevrouw Ann Brusseel: Beste collega’s, minister, de recente veiligheidsproblemen in Brussel hebben een algemeen debat over de samenlevingsproblemen in Brussel op gang getrokken, niet te vroeg als u het mij vraagt. Ik wil het met u hebben over een van de belangrijke oorzaken van de onveiligheid, namelijk schoolverzuim.

Ten eerste zorgt de grote groep spijbelaars voor flink wat overlast. Ze hangen rond. Vandalenstreken en verbaal geweld zijn hun voornaamste bezigheden. In bepaalde wijken hebben de bewoners er hun buik van vol.

Ten tweede is de steeds groeiende groep jongeren die de school verlaten zonder kwalificaties, zonder kennis of vaardigheden, een immens sociaal probleem. Het gaat immers over meer dan 20 percent van de Brusselse jongeren. Ze hebben geen toekomstperspectieven in onze kenniseconomie. Velen onder hen komen al heel jong terecht in de illegale economie, met de gekende gevolgen.

In november 2008 ondertekenden de vorige Vlaamse minister van Onderwijs en zijn Franstalige collega samen met de Brusselse burgemeesters een protocolakkoord om het spijbelen aan te pakken. Ouders wier kinderen niet in een Vlaamse of Franstalige school waren ingeschreven, kregen een brief. Wie niet reageerde op de brief, kreeg bezoek van de gemeente, om via overleg tot een oplossing te komen. Als deze stappen niet tot de oplossing leidden, werd het dossier aan het parket overgemaakt.

Deze werkwijze levert duidelijk niet de gewenste resultaten op. Uit recente cijfers blijkt dat een harde kern van 617 minderjarigen nog steeds niet in een Nederlandstalige of Franstalige school is ingeschreven, en daarmee hebben we het nog niet over de leerlingen die wel ingeschreven zijn en toch regelmatig spijbelen. Het Brusselse parket kent de namen van de hardleerse spijbelaars, maar liet begin december 2009 weten dat het niet de wettelijke middelen heeft om in te grijpen. De dossiers zouden vaak onvolledig zijn. De school meldt dan bijvoorbeeld wel dat een leerling spijbelt, maar geeft onvoldoende data en achtergrondinformatie. Wettelijk gezien mag het parket dan zelfs niet ingrijpen, zo meldt het ons.

In Brussel zijn er twee taalgemeenschappen, negentien gemeenten, zes politiezones, het parket en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Die zijn allemaal bevoegd, maar ze voelen zich blijkbaar niet verantwoordelijk of niet verantwoordelijk genoeg om een grondige aanpak van het spijbelprobleem te organiseren.

Minister, u hebt verschillende bevoegdheden: Onderwijs, Brussel, Gelijke Kansen en Jeugd. In deze zaak zijn al uw bevoegdheden de sleutel tot de oplossing van het probleem. Het is aan u om mee aan de kar te trekken, samen met uw Franstalige en Brusselse collega’s van Onderwijs, Jeugd en Gelijke Kansen. Door het toenemende aantal incidenten in Brussel, moeten we dringend een conferentie over veiligheid in Brussel samenroepen, dat is het standpunt en de wens van Open Vld. Deze conferentie moet alle engagementen van politie, parket en politiek bundelen. Er is nood aan een structureel en globaal hoofdstedelijk veiligheidsplan. U moet daar ook uw rol in spelen.

Ik wil u daarom vragen, minister, wat u concreet zult ondernemen om op korte termijn stappen vooruit te zetten in deze problematiek. U had in december 2009 in de pers aangekondigd dat u overleg zou plegen met de minister van Justitie. Wat is hiervan de stand van zaken? (Applaus bij Open Vld)

De voorzitter: De heer Arckens heeft het woord.

De heer Erik Arckens: Voorzitter, minister, waarde collega’s, als geboren Brusselaar, als inwoner van deze stad, als oud-lid van de Brusselse gemeenteraad, als oud-lid van het Brussels parlement, als lid van dit parlement, denk ik een klein beetje bevoegd te zijn om te spreken over de gang van zaken hier in Brussel, over wat er zich momenteel voordoet.

Er zijn enkele “kleine faits divers” en naar aanleiding van die “faits divers” wordt nu een debatje georganiseerd.

Men moet het mij niet kwalijk nemen, maar in de vorige legislatuur heb ik vijf jaar tevergeefs gewacht op een debat over Brussel. Vlaanderen intervenieert geweldig in Brussel, via het VIPA, het Brusselfonds, het Stedenfonds en ook op cultureel vlak. We richten ons tot een doelgroep van 300.000 mensen, dat is een groep die veel groter is dan het aantal Brusselse Vlamingen. Wij hebben dan ook het recht om in het debat een woordje mee te spreken.

U moet zich door de Franstalige arrogantie absoluut niet laten wegduwen. Op dat punt sta ik achter u. Ik ben hier geboren, ik ken ze. Ze spelen het persoonlijk. Ze zeggen: Pascal Smet is in Brussel weggelachen, en nu probeert hij revanche te nemen. Dat is een schandalige beschuldiging. Ik ben lid van het Vlaams Belang, maar ik ben wel een voorstander van de waarheid. Minister, u moet voor dat soort van uitspraken echt niet terugdeinzen.

Elke socioloog die naam waardig zal zeggen dat veiligheid het eerste punt is waaraan een maatschappij dient te beantwoorden. Eenmaal die veiligheid is georganiseerd, en dan pas, kunnen we denken aan de rest. Ik heb het daarover gehad met een heel bekende cultuursocioloog uit Leuven. Ik noem zijn naam niet, want inmiddels heeft hij misschien promotie gemaakt en mijn verwijzing naar hem kan hem misschien benadelen.

Wat de faits divers betreft, hebben we lang genoeg onszelf gecastreerd en gecensureerd, met behulp van de Antiracismewet en de politieke correctheid. Vandaag is daar een einde aan gekomen dans le Nord du Pays. Ik ben blij dat dit zo is. Laat de Franstaligen maar zeveren op hun RTBF. Ik ben blij dat de heer Van Der Taelen, mevrouw Idrissi en mensen in alle andere partijen ervoor pleiten om eindelijk te breken met de politieke correctheid, zoals dat in Nederland en in elk ander beschaafd land gebeurt. (Applaus bij het Vlaams Belang)

Inmiddels zijn er lachwekkende sujetten zoals de burgemeester van Brussel-Stad, die de bijna-moord op een politieagent een fait divers noemt. Zou men hem hier op de Grote Markt niet eens zijn broek aftrekken en hem een pak slaag geven? Hij verdient het! Dit gebeurt nergens in Vlaanderen; dit gebeurt in Brussel. Wij denken alleen maar aan de Daerdens, maar Brussel loopt vol met dit soort van creaturen – al dragen ze een Vlaamse achternaam.

De voorzitter: De heer Gatz heeft het woord.

De heer Sven Gatz: U bent duidelijk in uw nopjes. Bent u dan ook blij dat in een wijk zoals Kuregem heel gemakkelijk kalasjnikovs worden verhandeld? (Rumoer bij het Vlaams Belang)

De heer Erik Arckens: Mijnheer Gatz, ik ben daar helemaal niet blij om. Ik ben blij dat u het woord neemt, want ik wil seffens wel eens de echte Sven Gatz horen. Ik ken u al een jaar of vijftien. U evolueerde van linkse Volksunieman naar een centrumrechtse Open Vld’er. Wie is de echte Sven Gatz en wat heeft hij als fractieleider van Open Vld over de samenlevingsproblemen te zeggen? (Applaus bij het Vlaams Belang)

De toestand van de politie in Brussel is deplorabel. Niet enkel durft de politie in bepaalde buurten niet meer te komen, bovendien is er de voortdurende angst om voor racist uitgemaakt te worden. Dat laatste haalt de krant niet. Het Hoog Comité van Toezicht werkt. En de politieagenten voelen zich niet door hun oversten gesteund.

Mevrouw Ann Brusseel: Sta me toe te zeggen dat u een beetje grof bent als u Brussel als een hel afschildert. Veel mensen in dit parlement kennen Brussel niet zo goed als u en ik. Ik zou het dan ook waarderen als u een waarheidsgetrouw relaas zou geven.

De heer Erik Arckens: Mevrouw Brusseel, ik heb slechts 7 minuten spreektijd. Had ik 70 of 700 minuten, dan had ik die ook volgepraat, om u een heel gedetailleerd relaas te geven van hoe ik deze stad ken en hoe ze is geëvolueerd. Ik ben van 1961, ik kan dus wel iets zeggen over deze stad. Jammer genoeg heb ik daar de tijd niet voor.

Politie alleen als repressie, hoor ik sommigen al zeggen. Natuurlijk niet. De politie is ook een verhaal van aanwezigheid op het terrein, van kennis en ervaring met betrekking tot dat terrein. Het is een verhaal van nabijheid, ten behoeve van de burger.

Dames en heren, wees eerlijk. Al 15 jaar pleit het Vlaams Belang voor zerotolerantie, voor eengemaakte politiezones en dergelijke meer. We werden weggehoond, tot zelfs zeer recent nog. Is er iemand in deze zaal die nu nog tegen een eengemaakte politiezone in Brussel is? Dat hij spreekt.

Vandaag steken diezelfden, die tot voor een paar jaar tegen een eengemaakte politiezone waren, filippica’s af voor een eengemaakte politiezone. Ik vind dat prachtig, alleen zou ik graag hebben dat u auteursrechten betaalt. Ik zal straks nog een aantal andere voorstellen doen. Er is een deurwaarder aanwezig, en er wordt een patent op genomen.

Ik kom tot een laatste, zeer pijnlijk punt: immigratie. Het zou onwezenlijk zijn om de immigratie in deze context weg te laten. Het zou ook onwezenlijk zijn om de zaak te veralgemenen, dat weet ik ook, maar iedereen die Brussel kent, weet dat veel problemen in Brussel gelinkt zijn aan de ongebreidelde immigratiepolitiek die in ons land is gevoerd. Elk jaar komen er 10.000 à 15.000 nieuwe Brusselaars bij, via naturalisatie, snel-Belgwet, asiel en dergelijke meer. Wie van die mensen zal zich bekeren tot de Vlaamse Gemeenschap? Heel weinig, denk ik. We moeten daar alle moed voor tonen, maar in ieder geval hebben we recht van spreken om ons nog veel meer te engageren in Brussel dan we tot nu hebben gedaan.

Vlaanderen heeft zich de voorbije jaren ten volle geëngageerd in Brussel – vaak zonder veel dank – via het Stedenfonds, het Brusselfonds, het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA), de cultuurhuizen en zo verder. Vandaag krijgen wij via de lokale Franstalige potentaten à la Philippe Moureaux te horen dat Vlaanderen hysterisch is geworden. Waarom? Omdat wij de zaken bij naam noemen. Dan zeg ik u dat er in het noorden en het zuiden van dit land ook op dit vlak een verschil aan politieke cultuur en sociologie is gegroeid. Ik kan dat alleen maar toejuichen. Dit land valt uit elkaar. Het is een zeer blijde gebeurtenis. Ik ben blij, niet voor de feiten, maar wel hiervoor. (Opmerkingen van de heer Eric Van Rompuy)

U woont niet in Brussel, mijnheer Van Rompuy, ik wel. Ik kan u zeggen dat dit de zaken zijn waarover we het verder moeten hebben.

Collega’s, volgende week bespreken we een met redenen omklede motie die wij hebben ingediend naar aanleiding van de besprekingen in de commissie Brussel. Jammer genoeg krijgen we daar maar 5 minuten tijd voor. We gaan het dan over woonzorgzones, scholen en dergelijke meer hebben. Wanneer gaan we in de plenaire vergadering eens een grondig debat voeren, niet in 7 minuten, over het Brusselbeleid dat Vlaanderen voert, over de relatie tussen Vlaanderen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC), en over welke politiek wij precies moeten voeren? Wij hebben in elk geval recht om te spreken in onze eigen hoofdstad, zelfs over die materies waarvoor we zogezegd niet bevoegd zijn. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De voorzitter: De heer Van Der Taelen heeft het woord.

De heer Luckas Van Der Taelen: Voorzitter, minister-president, ministers, ik ben heel blij om hier vandaag te kunnen spreken over het onderwerp dat mij misschien wel het meest aan het hart ligt, namelijk Brussel, de stad waar ik al 30 jaar woon, en waarover ik toch wel iets te zeggen heb.

Als ik het met één element van de vorige spreker eens ben, is het dat we meer over Brussel moeten praten. Brussel is tot nader bericht nog altijd de hoofdstad van Vlaanderen. Ook van België en Europa, maar ik hoop vooral dat het de hoofdstad van Vlaanderen blijft.

Een week is een korte tijd. Er is in zeven dagen veel gebeurd. De erfzonde van wat er deze week is gebeurd, is dat ik vorige week Le Soir opensloeg. Dat is de eerste krant die ik elke dag lees om te weten wat er in de hoofden van de andere gemeenschappen in dit land leeft. Daarin las ik een merkwaardig fait divers. Een ‘fait d’hiver’ kan ook een ‘winterfeit’ zijn. Ik denk dat de heer Thielemans dat bedoelde toen hij zei dat het neerschieten van een politieman niet meer is dan een ‘winterfeit’. Helaas komt het ook voor in de andere jaargetijden.

Het fait divers waar ik over las, ging over een school in Anderlecht die de veiligheid van haar studenten niet meer kon garanderen. De studenten werden elke ochtend en avond lastiggevallen met wapens. De school had dan ook besloten weg te trekken uit Anderlecht en zich te huisvesten in Brussel-Stad. De enige reactie van de perfect eentalige burgemeester van Anderlecht, de heer Van Goidsenhoven, was: “Je n’ai pas les moyens.” Over welke ‘moyens’ het dan ging, is mij niet helemaal duidelijk. Voor mij was dit in elk geval een point of no return, om het in algemeen beschaafd Nederlands te zeggen.

Wanneer wij in deze stad worden geconfronteerd met een situatie waarin een school niet meer kan garanderen dan studenten veilig naar school kunnen gaan, dan is er een probleem. Dat is het enige dat ik heb proberen aan te kaarten in een artikeltje in De Standaard waarvan ik in al mijn bescheidenheid had gedacht dat het zo voorbij zou gaan, zoals zoveel zaken voorbijgaan. Maar wat gebeurt er? Er breekt een storm los. En tot mij eigen grote verbazing blijkt dan dat daar een communautaire splijtzwam over ontstaat. Aan Nederlandstalige kant zegt men dat dit niet meer kan, dat de structuur van de stad niet meer aangepast is aan deze eeuw. Aan Franstalige kant zegt men: “Tout va très bien, madame la marquise, tout va très bien.” Er is dus niets aan de hand, er is alleen wat meer geld nodig.

Het wordt tijd dat hierover een debat wordt gevoerd. Wat wij systematisch willen vergeten, is dat demografen hebben berekend dat in de volgende 20 jaar, er in Brussel ongeveer 200.000 mensen bij zullen komen. Zij zullen precies in die sikkel geboren worden die gaat van Molenbeek, over Anderlecht naar mijn gemeente Vorst. Dat is precies het gebied waar zich de grootste problemen voordoen.

Hoe lang nog, quousque tandem, kunnen wij aanvaarden dat in bepaalde delen van Brussel de werkloosheid hoger dan 30 percent ligt? Dat kunnen wij toch niet aanvaarden. Daar moet toch iets mee gebeuren. Het lijkt alsof men dat in Brussel begint te beschouwen als een natuurlijke, onvermijdelijke toestand. Bepaalde politici profiteren daarvan om daar electoraal profijt uit te halen. Wel, ik behoor niet tot die politici. En ik hoop, minister-president, dat u ook niet behoort tot dat soort politici waarvan de Franstaligen zo graag een karikatuur maken, namelijk dat soort Vlamingen dat hoopt dat Brussel zodanig zou verrotten dat ze moeten komen bedelen bij de Vlaamse Gemeenschap om geld. Neen, ik hoop dat we het belang van Brussel eindelijk inzien en dat we met z’n allen proberen daar iets aan te doen.

En dan vraag ik me af wat er fout is met een volledig andere aanpak. Als ik dan hoor dat de Brusselse minister-president vandaag heeft gezegd dat hij zijn voeten zou vegen aan wat minister Smet van deze Vlaamse Regering zegt, dan is dat voor mij een diplomatiek incident. Dat is een reden te over om over te gaan tot een groot diplomatisch overleg.

Franstalige politici blijven de opmerkingen aan Vlaamse kant weglachen als hysterisch gedoe of als faits divers, dat kunnen wij niet langer nemen. Men kan inderdaad zeggen dat de onveiligheid het belangrijkste probleem is, maar dan moet men ook niet alleen pleiten voor een beleid van zero tolerance. Die stinkende zwam van de criminaliteit die groeit op sociale situaties, willen wij niet meer aanvaarden. Wanneer wij het menen dat Brussel onze hoofdstad moet blijven, kunnen wij niet langer aanvaarden dat hier hele generaties jongeren worden afgeleverd die geen toekomstperspectief hebben en die gedoemd zijn om in de werkloosheid terecht te komen.

En het kan dan misschien bepaalde Franstalige politieke partijen goed uitkomen dat zij dat legioen werklozen kunnen beschouwen als electoraal kiesvee, ik ben daar niet mee gediend. Voor mij zijn deze jongeren de toekomst van Brussel. Ik wil hen niet langer ontmoeten als rovende jeugdbendes, ik wil hen zien als de werkende klasse die van Brussel echt de stad gaat maken waarvan wij dromen: de hoofdstad van Vlaanderen, de hoofdstad van België en de hoofdstad van Europa. Dat is natuurlijk een vrome wens.

Minister-president, ik zou willen voorstellen dat u deze emotie, deze commotie, deze overtrokken woorden en die karikaturen, die aan weerskanten van de taalgrens worden gevehiculeerd, laat voorbijgaan. Ik stel voor dat u oproept tot een top over Brussel en dat u uw collega van de Brusselse hoofdstedelijke regering, de heer Charles Picqué, niet op het matje roept, maar eens opbelt en hem vraagt of hij wel goed weet wat dat in het Nederlands wil zeggen: “ik veeg daar mijn voeten aan”. Misschien heeft hij iets anders willen zeggen, en misschien is dat niets anders dan een fait divers. Minister-president, zou u nu niet eens uw collega uitnodigen om te spreken over de toekomst van Brussel? Want met 200.000 extra inwoners de volgende jaren is het, om met een cliché te eindigen, 5 voor 12, als het al niet 5 na 12 is. (Algemeen applaus)

De voorzitter: De heer Delva heeft het woord.

De heer Paul Delva: Collega’s, de voorbije dagen kwam het veiligheidsprobleem volop voor het voetlicht. De sprekers voor mij hebben daarop al gealludeerd. Opeenvolgende incidenten in een aantal wijken in Brussel brachten een maatschappelijk debat op gang en het is goed dat ook wij, hier in het Vlaams Parlement, een debat hierover kunnen voeren. Veiligheid is een grondrecht, een absoluut basisrecht. Een overheid die de veiligheid niet kan garanderen, faalt in haar opdracht en verliest het vertrouwen van de burgers.

Het veiligheidsprobleem is ernstig in het hele Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, maar in het bijzonder in een aantal gemeenten en wijken aan het kanaal, zoals Anderlecht, meer in het bijzonder Kuregem, en Molenbeek. De heer Van Der Taelen heeft er al naar verwezen. Wat daar gebeurt, collega’s, zijn geen faits divers, zoals de socialistische burgemeester van Brussel stelt, het raakt het hart van onze samenleving, het raakt ieder van ons, het raakt de mensen voor wie wij moeten besturen.

De groeiende onveiligheid heeft veel oorzaken. Het is belangrijk dat wij ze allemaal voor ogen houden. Het valt op dat de moeilijkheden zich het sterkst voordoen in gemeenten en wijken waar heel veel jongeren wonen, waar grote armoede heerst, waar de werkloosheidscijfers angstaanjagend hoog liggen en waar veel jongeren niet of niet meer naar school gaan. Mevrouw Brusseel heeft terecht verwezen naar de problemen van schoolverzuim en spijbelgedrag. Statistieken geven bovendien aan dat net in die gemeenten en wijken de bevolkingsexplosie die Brussel te wachten staat het sterkste zal zijn. In die wijken van onze hoofdstad waar het vandaag niet goed leven is, zullen er tienduizenden jonge mensen zonder veel perspectief bijkomen. Ik neem dit thema vandaag expliciet op: onveiligheid vindt onder andere in sociale achterstelling een voedingsbodem. Als we het debat volledig willen voeren, moet ook dit aan bod komen.

Collega’s, we hebben redenen genoeg om ons ongerust te maken. Daarbovenop komt nog de bestuurlijke complexiteit van Brussel. De versnippering van de bevoegdheden heeft veel oorzaken, onder andere de bijzondere aard van de functies van Brussel, hoofdstedelijk en internationaal. De structuren in onze hoofdstad moeten absoluut worden vereenvoudigd.

Wat moet er vandaag gebeuren, gelet op de problemen die er zijn? Ik denk dat er twee grote elementen zijn: overleg en actie. Ik zal beginnen met het overleg. We zijn altijd van mening geweest dat Brussel een bijzondere troef is voor Vlaanderen en dat Vlaanderen moet streven naar een goede samenwerking met onze hoofdstad. Het Vlaams regeerakkoord legt dan ook terecht de nadruk op de investeringen van Vlaanderen in Brussel inzake de gemeenschapsmateries zoals Onderwijs, Welzijn, Inburgering enzovoort enerzijds, en op de versterkte samenwerking op het gebied van gewestmateries anderzijds. Het gaat dus over samenwerking en blijven samenwerken, overtuigen, ook van de Franstaligen, met argumenten.

Maar, collega’s, roepen of schelden aan de zijlijn lost niets, maar dan ook niets op. Het vergroot de afstand tussen Vlaanderen en Brussel, daar waar we in crisismomenten zoals deze allemaal, ook de politici, de rangen moet sluiten om naar oplossingen te zoeken. Mensen verwachten van politici oplossingen, geen conflicten. En we moeten dus ook deuren en vensters tussen Vlaanderen en Brussel openhouden. Permanent en diepgaand overleg tussen alle actoren is aan de orde. De communicatielijnen moeten dus openblijven. Waar ze vandaag gesloten zijn, moeten ze zo snel mogelijk opengemaakt worden.

Daarnaast zijn er de maatregelen. Er worden veel maatregelen voorgesteld. Er moet krachtig worden geageerd, dat is duidelijk. De Vlaamse partijen vragen onder andere een eengemaakte politiezone. Ik geef hierbij een aantal bedenkingen. Dat is natuurlijk een goede zaak. We hebben er echter ook alle belang bij dat we de interne denkoefening in Brussel ook mee in die richting kunnen sturen. Collega’s, ik wil toch wel benadrukken dat een eengemaakte politiezone natuurlijk niet alle veiligheidsproblemen in Brussel zal oplossen. De problemen en de oorzaken liggen te diep en zijn te complex. Al onze hoop daarop stellen, is onvoldoende. Het moet ook gezegd dat er vandaag al politiezones zijn in heel moeilijke wijken, onder andere in Schaarbeek, waar wel goed werk wordt geleverd.

Voor die eengemaakte politiezone zijn twee elementen belangrijk. Ik wil het daar vandaag wel even over hebben. Ik hoop dat de beslissing daarover kan vallen. Het is echter niet omdat die beslissing zou vallen – en hopelijk gebeurt dat snel –, dat die politiezone ook goed zal werken, goed zal draaien, efficiënt zal zijn, gedragen zal zijn van onderuit. Ik ben ervan overtuigd dat de twee elementen – de beslissing en het goed functioneren van een dergelijke politiezone – heel nauw met elkaar zijn verbonden. De wijze van beslissing zal met andere woorden een effect hebben op de werking van een dergelijke politiezone.

De voorzitter: De heer Van Eyken heeft het woord.

De heer Christian Van Eyken: Collega, ik heb uw uiteenzetting en die van uw collega’s goed beluisterd. U hebt allemaal gelijk als u verwijst naar het probleem van de veiligheid, van spijbelen, van werkloosheid. U zegt dat dat kan worden opgelost dankzij één zone.

Ik vraag me toch af of het samenbrengen van al die zones in één politiezone wel een oplossing biedt. Volgens mij biedt dat geen oplossing voor het spijbelen, voor de werkloosheid, voor de veiligheid. De situatie in Brussel is immers specifiek. De Brusselse politie wordt vaak geconfronteerd met manifestaties. Er is hier bijna elke dag een manifestatie. Bij deze gelegenheid moet de lokale politie worden ingezet. Er zou ook een overeenkomst moeten worden gesloten, of een gesprek worden gevoerd over de verdeling van de taken van de federale politie en die van de lokale politie in Brussel. Het is duidelijk dat er een tekort is aan politiekrachten in Brussel. Of, zoals u zegt, één politiezone soelaas zal brengen, daar heb ik toch mijn twijfels over.

De heer Luckas Van Der Taelen: Er heerst een beetje een Babylonische spraakverwarring over het begrip ‘eengemaakte politiezone’. Ook ik heb gepleit voor een eengemaakte politiezone. Dat betekent niet dat dat de oplossing is voor alle kwalen.

Men zou het in dit verband veel beter hebben over een ééngemaakt politiebeleid op regionaal vlak. Daar gaat het over. Het gaat er niet over dat men met een groot centraal bestuur alles kan oplossen. Het gaat erover dat in Brussel de politiezones worden bestuurd door colleges die op hun beurt bestuurd worden door de burgemeesters. Daar is waar ‘ le bât blesse’ zoals men dat in het Frans zegt, dan verstaan ze het misschien. Daar zit het probleem. De politiezones worden niet gedirigeerd vanuit een gewestelijke logica, maar vanuit een gemeentelijke logica die in 2010 volledig is voorbijgestreefd.

Laat ons het volgende onthouden. Wat hebben we vandaag geleerd? Een ééngemaakte politiezone is niet de oplossing, maar ik denk wel dat een ééngemaakt politiebeleid een stap is in de goede richting.

De voorzitter: De heer Van Dijck heeft het woord.

De heer Kris Van Dijck: Wat we ook hebben geleerd, is dat het punt dat de heer Van Eyken heeft aangehaald, federale materie is. Voorts dat er wel een grote eensgezindheid heerst in dit parlement, maar dat daar waar de beslissingen moeten worden genomen, we veruit in de minderheid zijn. We zijn inderdaad in de minderheid en zitten met een democratisch probleem.

Ik wil ook op het volgende punt duiden. Als we het debat over het aantal politieagenten zouden voeren, kijk ik met stijgende verbazing hoeveel agenten er in Brussel zijn en hoeveel er in metropolen als Parijs, Londen of New York zijn. Daar krijgt men ook te maken met massamanifestaties. En een ééngemaakte politie kan haar mankrachten efficiënter inzetten. Daarover gaat het, over het efficiënt inzetten.

De problemen van werkloosheid of spijbelen hebben inderdaad niets te maken met de politie. Wel moeten we nagaan in hoeverre de Vlaamse Gemeenschap haar verantwoordelijkheid in Brussel opneemt. Wij doen dat ook. Als 20 percent van de Brusselse kinderen naar Vlaamse scholen gaan, dan denk ik dat Vlaanderen, rekening houdend met de Brusselnorm die we hanteren, veel doet. Wij wensen dat ook te blijven doen.

Mevrouw Ann Brusseel: We hebben niet gezegd, mijnheer Van Eyken, dat een politiezone zaligmakend is en de enige oplossing zou zijn. We hadden het over een globaal veiligheidsplan. Het gaat niet alleen over het optreden van de politie. Het gaat ook over spijbelen aanpakken, beter onderwijs geven, leerlingen motiveren, ervoor zorgen dat mensen willen gaan werken en worden opgeleid om te gaan werken.

De vergelijking met Londen, Parijs of New York gaat volgens mij niet helemaal op. Als u mij kunt tonen waar in Parijs of Londen eenzelfde sikkel van armoede en werkloosheid als in Brussel is, kan ik u het volgende zeggen. Het komt niet alleen op een paar politieagenten aan. Als u een vergelijking wil maken, moet u geen appelen met citroenen vergelijken. Brussel valt spijtig genoeg niet te vergelijken met Parijs of Londen. Helemaal niet.

De heer Sven Gatz: Ik wil mevrouw Brusseel bijtreden. Het verschil op sociaal vlak tussen Brussel en andere grote steden is dat in andere grote steden de sociale problemen zich buiten de stad of aan de randstad situeren wat een andere oplossing vergt, en bij ons binnen de stad. Dat is alles wat ze zegt. Dat vergt andere politionele oplossingen.

Ik deel de mening van de heer Delva en vond wat de heer Van der Taelen zei, interessant. Het zou ook interessant zijn om hier het technische debat te voeren over de politiezones en de veiligheid, maar we zijn daar niet voor bevoegd. We zijn een parlement dat zich zaken toe-eigent waar we niet bevoegd voor zijn. We kunnen dat jammer vinden. Het is dringend tijd dat de minister-president van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, samen met de federale ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie en samen met de politiezones en de burgemeesters een veiligheidsconferentie zouden bijeenroepen om dat punt op te lossen.

Wat wij hier moeten doen, voorzitter, is focussen op de zaken waarin we een maatschappelijk aandeel hebben in Brussel. Wij investeren er, en u weet dat, in cultuur, onderwijs en welzijn. Ik neem aan dat u daarover nog wat zult zeggen. Daar moeten we naar kijken en zien wat ons aandeel kan zijn om mee de problemen op te lossen. Dat is wat we moeten doen.

Ik denk, minister Smet, dat zelfs met een uitgestoken hand, dat moeilijk is. Ik keur zeker de uitspraken van de heren Thielemans en Moureaux niet goed, net zomin als de uitspraken van de andere leden. Het is niet goed om een dergelijk gesprek tegemoet te treden door vooraf de minister-president van een ander gewest – van een ‘bevriende natie’, zullen we maar zeggen – een luie geprepensioneerde te noemen. Dat zal niet bijdragen tot een oplossing. Wij willen toch allemaal dat er oplossingen komen voor de veiligheid van Brussel.

De voorzitter: De heer Vanden Bussche heeft het woord.

De heer Marc Vanden Bussche: Voorzitter, ik wil nog even reageren op de woorden van de heer Van Der Taelen. We mogen niet de indruk wekken dat er zoiets als een veiligheidsoverleg bestaat. Een eengemaakte politiezone is veel beter. De colleges van burgemeester en schepenen zouden hierin worden vertegenwoordigd. De burgemeesters zouden zelf een veiligheidsplan moeten opstellen. De verschillende politiezones bieden nu al de mogelijkheid samen te werken. Een eengemaakte politiezone zou echter onder een college van burgemeesters en commissarissen vallen. Daarnaast zou er een vijfhoeksoverleg met de parketten zijn.

De heer Erik Arckens: Ik ben zeer blij dat de Open Vld niet meer weet op welk been ze moet staan. Ze wil oppositie voeren, maar eigenlijk wil ze dat ook niet. Ik ben blij dat de televisieploegen aanwezig zijn. Indien dit het liberale beleid is, ben ik blij dat ze zich vandaag ontmaskeren. Dit is geen alternatief voor de Vlaamse Regering.

Ik heb daarstraks gevraagd of iemand tegen een eengemaakte politiezone is. Niemand heeft toen zijn hand opgestoken. Blijkbaar is de heer Van Eyken tegen. Dat is net wat ik wil aantonen.

Ik weet dat de discussie over de politie gecompliceerder is. Onlangs is het aantal politieagenten met vijftig opgevoerd. Dat zal de problemen niet verhelpen. Er moet meer coördinatie komen. Er moet meer afstemming op de lokale overheden komen. Er moet zelfs worden nagedacht over de mate waarin de Brusselse gemeenten niet moeten fuseren. Dat is een debat dat we gemakkelijk kunnen aanvatten. We moeten het eerst zelf over bepaalde zaken eens worden.

Burgemeester Thielemans heeft blijkbaar geen agenten. Ik wil er echter op wijzen dat hij 700 agenten had om een betoging uit elkaar te slaan van 150 mensen die zich tegen de groeiende aanwezigheid van de islam verzetten.

De heer Sven Gatz: Het lijkt me belangrijk te benadrukken dat wij, als liberale partij, net als de andere partijen in het Vlaams Parlement, oplossingen voor de veiligheidsproblemen willen. Die oplossingen kunnen er enkel komen met de veiligheidsconferentie die ik net heb vermeld. Elke Brusselaar heeft recht op veiligheid. Dat is geen linkse, rechtse, Vlaamse of Franse discussie. Het gaat hier om de veiligheid. We moeten hier met zijn allen voor kunnen zorgen.

Mevrouw Ann Brusseel: Mijnheer Arckens, het enige wat ik u de voorbije maanden, sinds ik hier zit, concreet in de Commissie voor Brussel en de Vlaamse Rand heb horen voorstellen, is opnieuw Vlaamse leeuwen aan de schoolgebouwen en dergelijke te hangen. Dat is het enige. U wilt de Vlaamse vlag uithangen. Nu komt u hier de stoere man uithangen. Dit is plat populisme.

De heer Erik Arckens: Om evidente redenen die iedereen kent, zal ik niet op deze bemerking ingaan. Dit bewijst nogmaals het karakter van de Open Vld. Ik denk dat die ‘V’ voor ‘vulgair’ begint te staan. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De heer Paul Delva: Ik zou het hier opnieuw over de ‘V’ van ‘veiligheid’ willen hebben. Ik zou even willen inpikken op wat de heer Van Der Taelen heeft gesteld. Volgens hem zou het veiligheidsbeleid in Brussel beter op het gewestelijk niveau worden gevoerd. Dit zou een volgende nuttige stap kunnen zijn. Een politiezone zou door een college van negentien burgemeesters worden aangestuurd. Dit lijkt me geen goed idee. Met de heer Van Eyken verschil ik dan weer toevallig van mening. Dat gebeurt wel meer.

Tot slot wil ik nog twee zaken benadrukken.

Ten eerste, als het over de veiligheid gaat, spreken we momenteel allemaal over een betere politie. Sommigen hebben het over meer politie. De politie en het veiligheidsbeleid moeten efficiënter worden. Ik ben mijn betoog hiermee begonnen. Dit is absoluut nodig.

Volgens mijn partij vormt het fenomeen van de sociale achterstelling een voedingsbodem voor onveiligheid. Dit valt niet goed te praten. De torenhoge werkloosheid in de sikkel die de heer Van Der Taelen heeft besproken, vormt een van de cruciale elementen in het debat dat we nu voeren.

Ik wil hier echter aan toevoegen dat in het verleden al een aantal maatregelen zijn genomen. De vorige Vlaamse Regering heeft belangrijke akkoorden met het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gesloten om de interregionale mobiliteit te bevorderen. Die akkoorden werpen vruchten af.

Denken dat al die jonge mensen uit die moeilijke wijken werk zullen vinden in Brussel, is niet realistisch. Het type werk voor laaggeschoolden is daar ook niet echt. Daarom blijft mijn partij bijzondere voorstander van de interregionale mobiliteit van werkzoekenden, een moeilijk woord om te zeggen dat mensen uit Brussel gemakkelijker aan werk zouden geraken in Vlaanderen en in Wallonië.

De heer Luckas Van Der Taelen: Mijnheer Delva, ik hoor u graag zeggen dat uw partij werk maakt van de interregionale werkgelegenheid. Ik ben daar uiteraard een groot voorstander van, maar dan zou u toch eens moeten vragen aan uw collega Schouppe hoe het zit met de trein naar Zaventem. Men zou denken dat men de Airport Express kan nemen naar Zaventem. Maar weet u dat op de tickets voor de trein naar Zaventem een extra taks wordt geheven, waarvan de wettelijkheid nog niet bewezen is, en die heet de Diabolotaks. Die taks zou ten goede komen aan de extra verbindingen naar de luchthaven. Die taks moet ook worden betaald door mensen die een abonnement of een rittenkaart nemen, en ook mensen die een ticket zouden kopen omdat ze werk gaan zoeken in Zaventem. Die mensen worden gepenaliseerd omdat er door de conducteur een extra taks wordt geheven. Dat gebeurt elke dag. Weinig mensen weten dat. Ik zou graag hebben dat u staatssecretaris Schouppe interpelleert om die vermaledijde taks af te schaffen.

De voorzitter: De heer Van Rompuy heeft het woord.

De heer Eric Van Rompuy: Mijnheer Van Der Taelen, u hebt een schitterende uiteenzetting gehouden, volgens mij tot nu toe de beste in deze zittingsperiode van het Vlaams Parlement. Ik feliciteer u daarvoor, maar uw laatste tussenkomst was verkeerd. Als er een taks geheven wordt, is dat omdat Diabolo een pps is, dus een samenwerking met privéfirma’s. In het contract is opgenomen dat er een extra bijdrage komt als men naar de luchthaven gaat. Laat ons uw laatste tussenkomst vergeten. Uw eerste was zeer goed, daar sta ik volledig achter, maar laat ons het debat nu niet herleiden tot de treintickets naar de luchthaven van Zaventem, want dan zijn we totaal verkeerd bezig.

De heer Luckas Van Der Taelen: Ik wist niet dat een deel van de NMBS geprivatiseerd was, maar dat zal wel aan mij liggen.

De heer Paul Delva: Wat is de rol van Vlaanderen in de moeilijke tijden die Brussel vandaag beleeft? Vlaanderen doet heel veel voor zijn hoofdstad. Het investeert in onderwijs, dat is al gezegd, in welzijn, en in inburgeringsprogramma’s. Ook op cultureel vlak worden heel veel dingen ondernomen. Dat is belangrijk voor Brussel en de Brusselaars.

We moeten blijven investeren. Ten opzichte van de vele stemmen die opkomen in Vlaanderen dat het nu maar eens gedaan moet zijn met al die investeringen in een stad die zo ver van ons ligt, die er altijd zo vuil bijligt en waar het zo onveilig is, zeg ik: daar ligt onze verantwoordelijkheid, daar ligt de rol die wij kunnen opnemen ten aanzien van Brussel. Onze financiële middelen kunnen mee het verschil maken. Maar dat zal moeten gebeuren via samenwerking. Wij hebben middelen, we zetten die in. De andere gemeenschap heeft ook middelen en zet die ook in. Laten we zo veel mogelijk samenwerken met die andere gemeenschap en met het Brusselse gewest, dan zal onze rol in Brussel belangrijk blijven. Vlaanderen doet veel in Brussel en dat moet zo blijven. Ik roep vandaag alle mensen hier, alle Brusselse Vlamingen, ook in dit parlement en in onze Vlaamse Regering, op om meer dan ooit een goodwillambassadeur te zijn van hun stad, onze stad, die het vandaag zo moeilijk heeft. (Applaus bij CD&V, de N-VA en Groen!)

De voorzitter: Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Mevrouw Yamila Idrissi: Voorzitter, minister-president, ministers, collega’s, Brussel charmeert en Brussel enerveert. Dat hebben we de laatste dagen kunnen lezen, horen en aan den lijve ondervinden. Zoals elke metropool heeft ook onze hoofdstad haar problemen: achterstelling, illegale economie, kleine en grote criminaliteit. Wie van deze stad houdt, mag dit niet laten gebeuren.

Een drievoudige aanpak dringt zich op: een geïntegreerd veiligheidsbeleid, een radicaal sociaal plan en een bestuurlijke hertekening.

De charmes van Brussel heb ik, samen met vele anderen, in het verleden al vaak bezongen. Het is een bruisende, veelkleurige stad. Het soort stad waarvan je houdt omdat er altijd iets te beleven en te zien is. Het soort stad waar kansen op verrijking en ontwikkeling voor het grijpen liggen. Brussel is een mozaïek, een unieke ontmoetingsplaats voor generaties, culturen en gemeenschappen. Maar deze lofzang wordt in toenemende mate overstemd door valse noten. Recent waren de noten zeer vals, niet om aan te horen zelfs. Als we dit Brussel willen behouden en versterken, moeten we eensgezind de vele kwalen van deze grootstad onderkennen en aanpakken.

De problemen zijn gekend, en ze zijn niet gering. We moeten niet langer discussiëren, maar optreden als een school de lessen moet verplaatsen van Anderlecht naar het centrum omdat de studenten onderweg naar de klas het slachtoffer worden van racketeers. We moeten niet langer relativeren, maar de strijd tegen de misdaad optimaliseren, als blijkt dat zware wapens vrijelijk te koop zijn voor een prikje: 50 euro voor een kalasjnikov. En als daarmee drieste hold-ups worden gepleegd door daders die bij het gerecht gekend zijn.

Een misdaadvrije samenleving is een utopie. De kans dat zich meer misdrijven voordoen in een dicht bevolkte metropool dan op het platteland is een statistisch feit. Maar of het probleem efficiënt wordt aangepakt, is geen kwestie van statistiek, maar van politieke keuzes en verantwoordelijkheid. Als een overheid de veiligheid van haar bewoners, burgers en bezoekers in de publieke ruimte niet meer kan garanderen, betekent dat het failliet van de democratische rechtstaat.

Sp.a pleit al langer voor de integratie van de zes Brusselse politiezones tot één zone. Het is hier misschien niet meteen het forum, maar toch spreek ik de burgemeesters van Brussel aan: “Beste burgemeesters, een grootstad verdraagt geen dorpspolitiek. Een gespierd beleid in de ene gemeente is een maat voor niets als de achttien andere burgemeesters niet mee willen of kunnen.” Een eengemaakte politiezone, met één zonaal veiligheidsplan, moet bijdragen tot een oplossing. Het lokale bestuur, politie en justitie zijn evidente partners, maar ook maatschappelijke instanties, scholen, buurtcentra, welzijnsorganisaties, werkwinkels en zelfs sportclubs kunnen een belangrijke rol spelen bij het signaleren en direct of indirect remediëren van criminaliteit en geweld op straat.

Een sluitend veiligheidsbeleid is voor ons een sociaal project. Het garandeert dat elke Brusselaar gelijke kansen krijgt om zich in een veilige en nette omgeving met voldoende basisinfrastructuur en gemeenschapsvoorzieningen ten volle te ontplooien. Onveiligheid gedijt in een grootstedelijk klimaat waar te veel sociale indicatoren vandaag in het rood staan: hoge werkloosheid en armoede, spijbelgedrag, slechte huisvesting. Ook dat is in eerste instantie een politieke verantwoordelijkheid. Brussel heeft de jongste bevolking van het land. Vandaag geen maatregelen nemen betekent dat je die jonge bevolking in de steek laat, dat je de toekomst van die jongeren hypothekeert.

Is het gebrek aan perspectief niet altijd een directe aanleiding voor geweld en misdaad, het draagt zeker niet bij tot een veiligere leefomgeving. Dat treft de slachtoffers van geweld en misdaad hier en nu, maar het legt ook een hypotheek op de toekomstige generatie. Deze grootstad heeft nood aan een substantiële injectie in huisvesting, ruimtelijke ordening, onderwijs en arbeidsmarkt. We kunnen niet blijven pochen dat Brussel het kloppende hart van Europa is, terwijl we zelf de vitale aders dichtknijpen.

De voorzitter: De heer Wienen heeft het woord.

De heer Wim Wienen: Mevrouw Idrissi, ik luister geboeid naar uw betoog. Gelooft u echt dat de criminaliteit waarmee Brussel nu geconfronteerd wordt, opgelost zal worden door meer kansen te geven en meer sociale huisvesting? Het gaat nog altijd over een politieagent die recent beschoten is met een kalasjnikov. Ik denk niet dat de schutter op zoek is naar een sociale woning, hoor.

Mevrouw Yamila Idrissi: De tijd dringt. We moeten deze stad op de sporen krijgen met een coherent plan waarvan de drie pijlers – het sociale, de veiligheid en het institutionele kader – als raderen in elkaar grijpen. Deze stad schreeuwt om een staten-generaal van alle betrokken overheden, omdat ook op het terrein alle raderen in elkaar grijpen. De federale en lokale overheden moeten zorgen voor een slagvaardige politie en justitie, de gemeenschappen voor onderwijs, vorming en opvangplaatsen voor minderjarigen, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest voor een activerend arbeidsmarktbeleid. En ga zo maar door. De analyses hebben we inmiddels, incident op incident, al ettelijke keren gehoord. Het is tijd voor actie. Ik roep dan ook alle Brusselse politici met een sociale agenda, over de taal- en partijgrenzen heen, op om een coalitie van de verandering te vormen. Ik vraag de Vlaamse minister-president om overleg te plegen met zijn Brusselse collega om deze problemen opnieuw aan te pakken. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter: De heer Segers heeft het woord.

De heer Willy Segers: Voorzitter, minister-president, ministers, dames en heren, ik sluit me aan bij de woorden van de heer Van Der Taelen, dit is een ‘point of no return’. Dat zeg ik vanuit een persoonlijk standpunt. Ik heb in Brussel meer dan 10 jaar onderwijs genoten en meer dan 20 jaar les gegeven. Dit is voor mij een ‘point of no return’. Als het basisrecht op onderwijs voor minderjarigen, kinderen of jongvolwassenen niet meer kan worden gegarandeerd door een gebrek aan veiligheid, dan moet er worden ingegrepen. Ik ga niet alle andere feiten aanhalen die de collega’s hier al naar voren brachten, evenmin als de gewelddadige incidenten van het afgelopen weekend.

Het zijn allemaal harde thema’s waarmee Brussel op een negatieve wijze onder de aandacht kwam. De politieke reacties op heel dit gebeuren zijn opvallend verschillend. We horen haast eensgezinde politieke analyses en beleidsvoorstellen vanuit Nederlandstalige hoek. Oorspronkelijk kwam er geen reactie vanuit Franstalige hoek, en als die er na lang aandringen vanuit de Vlaamse media toch kwam, beperkte die zich tot dooddoeners, simpele oneliners en faits divers. Nochtans, beste collega’s, gaat het hier om onze Vlaamse hoofdstad. Een stad met internationale uitstraling en functies. Een stad die we als Vlaanderen om meerdere redenen niet willen en mogen loslaten.

Aan Franstalige zijde lijkt men niet te snappen wat er de voorbije weken en dagen zo speciaal is geweest. Uitspraken als die van burgemeester Thielemans “dat gebeurt hier elke dag”, bewijzen dit ten volle. We zouden erom kunnen lachen, mocht het niet gaan om de veiligheid van inwoners, ordehandhavers en scholieren. We kunnen echter stellen dat het Belgische politieke bestel er sinds dit weekend een nieuw BHV-dossier bij heeft: het Brusselse hoofdstedelijke veiligheidsprobleem! Naast de dramatische toestanden in de Brusselse straten en wijken, legt het ook een reeds langer sluimerend en serieus institutioneel probleem bloot.

Als de voorbije weken en feiten iets hebben aangetoond, dan is het een ontstellend gebrek aan beleidskracht van de Brusselse instellingen. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest keek argeloos opzij en bleef afwezig in het debat. De negentien gemeentelijke baronieën trokken zich terug op hun eiland en verstarden in hun anonimiteit. Precies terwijl een stad van dit formaat snakt naar een moderne, strategische en frisse beleidsaanpak.

De N-VA wenst deze veiligheidscrisis dan ook niet los te zien van de institutionele crisis. Het bevestigt wat wij reeds lang stellen: dit land is op de grenzen van zijn federaal model gestoten.

De heer Wim Wienen: Mijnheer Segers, heb ik het goed begrepen dat de Brusselse instellingen een gebrek aan daadkracht en beleid vertonen? Mag ik dan concluderen dat u het een historische fout vond dat Brussel een volwaardig derde gewest is geworden?

De heer Willy Segers: Ik hoef dit op zich geen historische fout te vinden. Ik kom daar seffens op terug, omdat ik dat wil kaderen in het geheel van uitspraken dat daarover onlangs is gedaan.

De voorbije jaren en maanden leerden ons dat het water te diep was om de gedachtegang over de Brusselse instellingen opnieuw te laten vloeien, maar intussen blijken de geesten gerijpt. Enkele weken geleden argumenteerde Brussels oud-staatssecretaris Vic Anciaux dat het model was uitgediend. Er waren ook andere kritische geluiden te horen en te lezen in de pers. Oud-schepen Vandenbossche uit Anderlecht, of Luckas Van Der Taelen in de pers en ook hier in zijn toespraak: het zijn allemaal zaken die ons hoopvol stemmen, omdat de geesten gerijpt zijn en de mentaliteit aan het veranderen is. Als we de voorbije 20 jaar iets hebben geleerd, dan is het wel dat er iets moet veranderen.

Minister Smet, gisteren hebben we met aandacht geluisterd naar uw uitspraken in Terzake, en we hebben ook gelezen wat u daarover vandaag in de pers hebt verkondigd. We gaan akkoord met een groot deel van die uitspraken, maar we verschillen wel van mening over het opgeven van een gegarandeerde vertegenwoordiging voor de Vlamingen. Dat is een brug te ver. Maar we zijn zeker al tevreden dat deze mentaliteitswijziging er eindelijk is gekomen. We weten dat u daar al een aantal jaren voorstander van bent, maar nu durft u het als Vlaams minister voor Brussel openlijk verkondigen. Het is precies die rol die we als politiek verlengstuk van Vlaanderen moeten spelen. Wat dat betreft, bent u goed geplaatst als minister van Jeugd, Onderwijs en Gelijke Kansen.

Wat de mogelijke oplossingen voor de huidige veiligheidsmalaise betreft, staat de N-VA pal achter wat de meeste Vlaamse partijen ook voorstellen. Wij hebben dit zelf ook nooit onder stoelen of banken gestoken en onze vertegenwoordigers in het Brusselse en het federale parlement hebben het altijd al verdedigd: de nultolerantie, de fusie van de zes Brusselse politiezones tot één centraal gestuurd politiekorps, met de correcte inhoud van dat begrip, waarbij onder eenheid van bevel de problemen coherenter kunnen worden aangepakt. Ook snelrecht, jeugdsanctierecht, gepaste strafuitvoering en strafinfrastructuur zijn thema’s die we allemaal kennen. Maar dit zal niet volstaan.

Onze hoofdstad is duidelijk toe aan een nieuw institutioneel verhaal. Ook in dit veiligheidsdossier blijken de cijfers aan te duiden dat het vooral om een probleem van aanpak en organisatie gaat. Er zijn hier cijfers genoemd, waarmee we ons mogen spiegelen aan een stad als New York, wat het aantal politieagenten betreft. Het gaat dus niet om de getallen, maar om de organisatie en de aanpak.

Wij steunen als N-VA dan ook alle voorstellen die in de richting gaan van afslanken van het ingewikkelde kluwen van politieke besluitvorming in onze hoofdstad, het wegwerken van de dubbelzinnige situaties tussen gewest en gemeenten, meer betrokkenheid vanuit onze Vlaamse bevoegdheden naar de eigen hoofdstad. Eén stad, één politiezone, met sterk gedecentraliseerde gemeenschapsvoorzieningen. Het failliet van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest geeft ons een bijkomende verantwoordelijkheid. De Vlaamse Gemeenschap kan en moet een belangrijke rol blijven spelen in de hoofdstad, inzake onderwijs, inburgering, kinderopvang, en waarom niet de begeleiding van werklozen, arbeidsbemiddeling, justitie enzovoort.

Het spreekt voor zich dat Vlaanderen hier nu volop moet op inzetten. Niet over enkele weken of maanden, maar nu. Minister-president, we vragen dan ook dat u, gesteund door de leden van uw Vlaamse Regering, het debat proactief aangaat. Laat ons niet wachten op een initiatief vanuit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, maar laten we als Vlaanderen een standpunt innemen over onze Vlaamse hoofdstad. We schrijven ze niet af, we schrijven die één miljoen mensen niet af. We houden van deze stad, en dus vragen we daadkracht. (Applaus van de meerderheid)

De voorzitter: De heer Bouckaert heeft het woord.

De heer Boudewijn Bouckaert: Voorzitter, minister-president, geachte leden, als laatste constateer ik het afgemaaide grasperk van opmerkingen. Veel van wat ik kon zeggen, is hier al gezegd. Ik wil echter even doorgaan op de openingszin van mevrouw Idrissi. Brussel charmeert. Dat staat toch in de toeristische folders. Brussel enerveert. Dat zien we hier vandaag. Als het echter zo doorgaat, kunnen we daar een derde frase aan toevoegen: Brussel crepeert.

Brussel, en zeker de westrand van de stad, verzinkt in een sfeer van rechteloosheid en wetteloosheid. We zien daar een samenleving ontstaan die aan totaal andere normen en wetten beantwoordt dan aan de normen en wetten die gelden in de rest van het land. We zien een economie die een combinatie is van een zwarte, vergangsterde economie en een uitkeringseconomie. Dat is het soort samenlevingsopbouw dat we nu meemaken in de westelijke rand.

De heer Arckens heeft gezegd dat de meeste sociologen vinden dat veiligheid en orde noodzakelijk zijn. Was het maar waar: het sociologendom en het criminologendom denkt er anders over. Lees vandaag de bijdrage in De Standaard van mevrouw Jenneke Christiaens, verlichte geest, die zegt dat al dat geblèr over repressie autoritair is en geen oplossing biedt, dat we moeten mikken op samenlevingsopbouw, straathoekwerkers en sociale woningen, dat veiligheid en orde maar een deel van het verhaal is. Mijnheer Arckens, jammer genoeg hebt u geen gelijk.

Wij hebben altijd gezegd dat veel van die maatregelen met betrekking tot het tewerkstellingsbeleid, de sociale woningbouw, het antidiscriminatiebeleid allemaal mogen. Ze zijn voor ons geen taboe. De absolute en primaire voorwaarde in elke samenleving is echter ‘law and order’. Men moet de wet doen naleven, met een zerotolerancebeleid. Dat is gedurende jaren miskend door een hele reeks politiek correcte denkers, sociologen en politieke partijen.

De heer Erik Arckens: Mijnheer Bouckaert, u hebt uiteraard deels gelijk. Ik ken dat wereldje ook zo’n beetje. Er is echter ook een en ander aan het veranderen. U leest ook af en toe wel eens een boek. U volgt ook wel de debatten in Nederland. Hier kennen we professor Laermans en Mark Elchardus. Die laatste is al beter geweest. Hij is wat aan het verzwakken. Die mensen zullen u zeggen dat het allereerste basisrecht het veiligheidsrecht is. Iedereen blijkt het hier eens te zijn over van alles. Van velen horen we het melige betoog dat er eerst moet worden gezorgd voor werk en woningen. Neen! Eerst moet dat veiligheidsprobleem opgelost geraken. Ik ben het volledig met u eens, al behoren we uiteraard tot twee verschillende politieke formaties: wie dat inzicht niet heeft, is volledig fout. Ik hoop echt dat mensen in Vlaanderen, sociologen, ook meer de boeken gaan lezen die in Nederland verschijnen. U weet net zo goed dat de geesten daar totaal aan het veranderen zijn. Ik hoop dat we tot een nieuw intellectueel-politiek klimaat komen. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De heer Boudewijn Bouckaert: Laten we hopen dat het zo is.

Ook wil ik even ingaan op de onvoorstelbare reactie van de Brusselse politici, de emirs van Brussel, de Thielemansen, de Picqués, de Moureauxs. Hier is iets meer aan de hand dan schuldig verzuim of de vrees voor postjes. Ik vermoed dat hun opmerkingen zijn ingegeven door electorale vrees. Blijkbaar zijn ze bang om een deel van het publiek dat wordt gedomineerd door een criminele cultuur, tegen de borst te stuiten.

Dat betekent eigenlijk dat we evolueren, en dit is een schrikbeeld in Brussel, naar wat Fritz Lang in de jaren twintig de ‘Herrschaft des Verbrechens’ noemde: de criminaliteit wordt een drukkingsgroep op zichzelf die doorwerkt in het politieke beleid. Dat is een doembeeld dat in Brussel dreigt en dat jammer genoeg wat bewaarheid wordt door de onvoorstelbare uitspraken van de Brusselse politici.

Voorzitter, ik wil er u ook op wijzen dat de parabel van de verloren zoon hier vandaag tien maal wordt herhaald.

De voorzitter: De heer Yüksel heeft het woord.

De heer Veli Yüksel: Mijnheer Bouckaert, u hebt het over “criminele cultuur”. Bedoelt u eigenlijk dat de allochtone gemeenschappen crimineel zijn? Dat zegt de woordvoeder van uw partij, Piet Deslee, immers ook: “De allochtonen zijn crimineel”.

Ik denk dat criminaliteit geen nationaliteit heeft. Criminaliteit moet worden aangepakt, in welke religie, cultuur of stad dan ook. (Applaus bij de meerderheid en bij Groen!)

De heer Boudewijn Bouckaert: Mijnheer Yüksel, laten we niet hypocriet doen. Het is uiteraard zo dat allochtonen en criminaliteit niet gelijkstaan, de meeste allochtonen zijn doodbrave mensen die niet anders willen dan in vrede en in orde leven. In mijn stad, Gent, zijn er ook heel veel Vlamingen van allochtone oorsprong en is er geen groot veiligheidsprobleem.

Maar u moet durven toegeven dat er zich in Brussel een cultuur van criminaliteit heeft gevestigd. Daar zijn netwerken bezig die volledig opereren tegen de gangbare normen, netwerken die bijvoorbeeld verhinderen dat er belastingen worden betaald of dat er socialezekerheidscontroles zijn. Criminaliteit is geen optelsom van individuele feitjes, maar kan ook een cultuur worden. Dat moet men durven zeggen, mijnheer Yüksel, dat taboe moet men durven doorbreken. Het is alleen maar door de problemen te benoemen dat een begin van oplossing zal worden verkregen, maar dat heeft men gedurende tientallen jaren niet willen doen! En het gaat onder meer om degenen die hier voor uw opmerking hebben geapplaudisseerd. (Applaus bij het Vlaams Belang en bij LDD)

De heer Veli Yüksel: Mijnheer Bouckaert, ik denk dat u één ding vergeet, namelijk dat heel veel van die jongeren hier geboren zijn, Vlaming zijn of Belg zijn, dat ze in een westerse omgeving grootgebracht zijn en een westerse opvoeding hebben gekregen. (Rumoer bij het Vlaams Belang. Opmerkingen van de heer Boudewijn Bouckaert)

Vraagt u zich eens af waar het misgelopen is en waar het misloopt: die jongeren krijgen geen perspectief. Ik wil hier absoluut geen afbreuk doen aan het beteugelen van de criminaliteit of aan een zero tolerance en dergelijke meer, maar dat moet u toch ook eens bekijken. (Opmerkingen van de heer Boudewijn Bouckaert)

En ik wil hier ook de PS niet beschermen. Ik ben eigenlijk blij dat collega’s van links, van Groen! en van sp.a, eindelijk afstand nemen en zich distantiëren van het pamperen van de allochtonen.

De voorzitter: De heer Tack heeft het woord.

De heer Erik Tack: Voorzitter, ik denk dat de heer Yüksel de realiteit niet altijd onder ogen wil zien. Ik hoorde twee dagen geleden de heer Audenaert nog vertellen dat het vooral gaat om 20- tot 30-jarigen, ongeschoolden en mensen van allochtone afkomst. Ik denk dat dat de realiteit is, dat we dat onder ogen moeten zien.

Mijnheer Yüksel, u maakt de opmerking dat het allemaal Vlamingen zijn, dat ze in Vlaanderen geboren zijn. Inderdaad, maar of ze zich de Vlaamse mentaliteit, de Vlaamse cultuur, de Vlaamse leefgewoonten eigen hebben gemaakt, daar stel ik me heel grote vragen bij.

Ze kunnen allemaal naar school gaan, ze hebben hier allemaal kansen. Als ze ongeschoold zijn, dan betekent dat dat ze de school eigenlijk achter zich hebben gelaten en dat ze het niet de moeite waard vonden om naar school te gaan. Ze hebben de kansen. De scholen bestaan, ze worden ingericht, maar als ze niet naar school willen gaan, dan is dat voor een stuk ook hun eigen verantwoordelijkheid. Laten we toch eens ophouden met altijd de schuld op ons te steken, laten we toch eens beginnen met te kijken wie er al kansen krijgt en wat ze daarmee willen doen, in hoeverre ze de bereidheid hebben om daar iets mee te doen en om inderdaad Vlaming onder Vlaming te willen worden. (Applaus bij het Vlaams Belang)

De heer Paul Delva: Voorzitter, ik denk dat het voor de sereniteit van het debat nuttig is om twee dingen te scheiden. Er is vooreerst in Brussel een acuut veiligheidsprobleem. Het is niet tolereerbaar, we kunnen er niet krachtig genoeg tegen ageren. Natuurlijk is zero tolerance goed. Mensen hebben schrik gekregen in hun samenleving en dat zou niet mogen. Er moet krachtig ingegrepen worden. Dat is één. En dat kan niet wachten, dat moet snel gebeuren en liefst zo snel mogelijk.

Maar daarnaast is er nog een tweede stuk van hetzelfde verhaal, maar u mag de hoofdstukken niet mengen. Daarnaast is en blijft het een feit dat sociale achterstelling, armoede, slecht onderwijs enzovoort, bronnen zijn van crimineel gedrag.

Men moet dus beide denksporen volgen. De eerste op zeer korte termijn, zeer krachtig uitgevoerd en met een duidelijke taal begeleid. De tweede, betreffende de achterstelling, moet men ook durven bespreken. Men mag dat niet onder het tapijt vegen; beide zijn belangrijk. De slinger is jarenlang naar één kant doorgeslagen; dat is jammer. Het zou evenwel te betreuren zijn als de slinger nu naar de andere kant zou doorslaan, want dan blijven we in hetzelfde bedje ziek. (Applaus bij de meerderheid)

Mevrouw Yamila Idrissi: Ik wil even reageren op wat de heer Yüksel zei. Het is belangrijk dat we dit probleem bekijken door de ogen van de inwoners van Brussel, en niet door de bril van een ‘allochtoon’ of een ‘autochtoon’. Weet u wie de belangrijkste slachtoffers zijn? De leerlingen van die school. En die hebben meer dan twintig nationaliteiten. En de jongen die op een haar na is ontsnapt aan een tweede Joe Van Holsbeeck-drama is van Marokkaanse origine.

De heer Boudewijn Bouckaert: Mevrouw Idrissi, ook allochtonen zijn het slachtoffer van die criminele cultuur. Maar we moeten toch de zaken durven zeggen zoals ze zijn: in de wijken waar de allochtone bevolking domineert, heerst die criminele cultuur waar natuurlijk ook allochtonen het slachtoffer zijn. Er heerst daar een cultuur van wetteloosheid en het niet-respect voor onze normen. We moeten daar niet aseksueel over doen en zeggen dat dit niets te maken heeft met immigratie en dergelijke: dat is daar ten dele het gevolg van. Ik heb het nu niet over de te nemen maatregelen, maar men moet het probleem ten minste durven benoemen. Jarenlang is dat niet gebeurd wegens de politieke correctheid, en nu zitten we met de gebakken peren.

De heer Erik Tack: Voorzitter, ik wil nog even terugkomen op het luik onderwijs. De minister van Onderwijs is hier: ik veronderstel dat hij zal bevestigen dat er nogal wat onderwijsmiddelen van Vlaanderen naar Brussel gaan, en ook dat via het GOK-decreet nogal wat geld precies naar die zwakke groep gaat. Betekent dit nu dat het geld voor onderwijs verkeerd wordt uitgegeven? Men geeft hier immers het onderwijs de schuld van de problemen.

De heer Boudewijn Bouckaert: De parabel van de verloren zoon wordt hier tien keer herhaald. Gisterenavond hoorde ik minister Smet bezig over de politiezones. Elke zin, elk woord, elke lettergreep, elke letter kon ik beamen. Ik ben zelf nog lid van de Hoge Raad voor Justitie geweest. Wat de politiezones betreft, heb ik de audit van het parket van Brussel uitgevoerd. Ik heb vastgesteld hoe de politiezones met hun gemeentelijke cultuur elkaar tegenwerken. Ik heb vastgesteld hoe moeilijk het is om de politiezones bijvoorbeeld inzake pv’s op een lijn te krijgen. De transactiekosten van die versnippering zijn enorm en staan een goed beleid in de weg.

Minister, u ondergaat wel een late bekering. In een vorig leven was u toch een Brusselse minister? Waarom hebt u daar toen niet voor gepleit? Waarom hebt u toen uw slag niet thuisgehaald? Voor Open Vld geldt hetzelfde. De partij zit al sinds de installatie van het standbeeld van Manneken Pis in de Brusselse regering. Maar nu pakt de partij plots uit met een formidabel tienpuntenplan. Een plan dat we helemaal kunnen onderschrijven. Maar het is dus ook een late aha-erlebnis, want ook Open Vld deed mee met de diabolisering van iedereen die opkwam voor law and order.

De heer Van der Taelen had een bordje moeten meedragen met daarop ‘Ik ben politiek correct, spuw niet op mij’. Als u daarmee door Kuregem had gelopen, dan had u die pijnlijke bocht niet moeten maken. Wat u vandaag zegt, staat haaks op alles wat u vroeger hebt gezegd en wat neerkwam op de politiek correcte boodschap. (Applaus bij LDD, Open Vld en van de heer Johan Sauwens)

De heer Luckas Van Der Taelen: Dank u, mijnheer Bouckaert, dit persoonlijk feit staat me toe een en ander recht te zetten. In de hemel is meer vreugde voor een bekeerde zondaar dan voor een begijntje. Maar wat volgt, mag toch eens geboekstaafd worden. Ik denk toch dat er een groot verschil is met wat enkele jaren geleden door bepaalde partijen is gezegd. Toen verspreidde men een zuiver racistisch discours. Laat ons dat toch eens zeggen. Men verwierp de multiculturele maatschappij en men wou die mensen naar hun zogenaamd land van herkomst terugsturen.

Ik heb dat nooit gezegd, mijnheer Bouckaert. Ik heb gezegd dat ik voor een multiculturele maatschappij ben. Ik zal altijd verdedigen dat de jongeren, ook al zijn het nu probleemjongeren, de toekomst zijn van Brussel.

Het is een beetje gemakkelijk om nu te zeggen dat ik mijn kar heb gedraaid. Dat is niet waar. Het is gemakkelijk om vanuit uw grote rechtse gelijk alle andere argumenten weg te lachen. Ik zeg alleen dat het van kennis van de Brusselse realiteit getuigt om te durven zeggen dat er de laatste jaren inderdaad zaken verslechterd zijn. En de oorzaak daarvan ligt niet bij de etnische afkomst van bepaalde mensen. Maar er is wel een probleem.

Ik vraag me nog altijd af hoe het in godsnaam mogelijk is dat we niet tegelijkertijd over een zerotolerancebeleid op het vlak van criminaliteit kunnen praten én het sociale aspect en het onderwijs benadrukken. Waar ligt daar in hemelsnaam de tegenstelling?

Nooit zult u mij erop kunnen betrappen dat ik een discours van het vermaledijde Vlaams Blok zou achternalopen. Nu gaan zeggen dat alle mensen die hier geboren zijn, terug moeten gaan naar hun zogenaamde land van herkomst, dat heb ik nooit gezegd, en ik zal het ook nooit zeggen. (Applaus bij CD&V, sp.a, de N-VA en Groen!)

De heer Boudewijn Bouckaert: U richt zich tot de verkeerde spreker, mijnheer Van Der Taelen, want onze partij heeft ook nooit beweerd dat zij naar hun thuisland moeten worden teruggestuurd.

Onze partij heeft ook voorstellen. Zoals u weet, is er een groot probleem met de jeugdcriminaliteit in Brussel. Het gerecht kan dat niet aan. De parketten seponeren bijvoorbeeld meer dan 68 percent van de aangiften. De parketten anticiperen daarmee op het verzadigd zijn van de rechtbanken. Op die manier krijg je te maken met het fenomeen van de draaideurcriminelen, criminelen die justitie weglachen. De politie pakt ze op, en een uur later zijn ze de politie aan het uitlachen op de straat.

De Open Vld heeft destijds een schitterend wetsvoorstel voorbereid om de jeugdrechter ook een strafrechtelijke bevoegdheid te geven. Men wou dat wetsvoorstel indienen, maar het is weggeduwd door de PS, die het fascistisch en dergelijke meer vond. De heer Verhofstadt gunde zijn toenmalige minister van Justitie het succes niet, en dus werd het in de la gestopt.

Indien men op federaal vlak – en onze partij zal daartoe een initiatief nemen – jeugdrechters een algemene bevoegdheid zou geven, ook op strafrechtelijk vlak, zou eventueel kunnen worden gedacht aan het inrichten van heropvoedingskampen, boot camps, een strengere vorm van instelling dan de gewone jeugdinstellingen, maar minder streng dan gevangenissen.

Die boot camps, een voorstel van onze partij, zouden ook in Brussel kunnen worden ontwikkeld. Dat zou een vorm van samenwerkingsfederalisme kunnen zijn. Men zou die veranderde jeugdwet, die destijds door minister Verwilghen werd ingediend maar onder druk van Di Rupo teruggetrokken, kunnen aangrijpen om tot een samenwerkingsfederalisme te komen. Vlaanderen zou bijvoorbeeld zijn duit in het zakje kunnen doen voor de veiligheid van Brussel, door een stuk van die boot camps die in Brussel worden georganiseerd, samen met de Franstalige Gemeenschap te organiseren. Dan zouden we misschien wat vooruitgang boeken in het doen afkalven van die no-gozones. En dat is een absolute voorwaarde opdat elke andere vorm van beleid zou kunnen slagen. (Applaus bij het Vlaams Belang en LDD)

De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.

Minister Pascal Smet: Voorzitter, collega’s, ik ben veertien jaar geleden als plattelandsjongen in Brussel komen wonen. Ik heb altijd iets van een stad in mij gehad. Ik ben heel lang in Antwerpen geweest, ik woon nu veertien jaar in Brussel. Ik heb mij dat op geen enkel moment betreurd. Dat maakt dat ik als inwoner van deze stad betrokken ben. Het maakt ook dat ik als Vlaams minister voor Brussel betrokken ben.

Ik wil vandaag niet, zoals sommigen dat hebben gedaan, aan Brussel-bashing doen. Daar ben ik niet in geïnteresseerd. Ik ben bekommerd om Brussel. Ik denk dat de hele Vlaamse Gemeenschap bekommerd moet zijn om Brussel. Want wanneer het slecht gaat in Brussel, gaat het ook slecht in Vlaanderen. De toekomst van Vlaanderen is gebonden aan die van Brussel. Ik ben het ermee eens dat Brussel dat al te vaak vergeet. Onze toekomst ligt samen, al was het maar, zoals de heer Van Der Taelen terecht heeft gezegd, omdat veel van die jonge Brusselaars het pensioen van de hardwerkende Vlaming van vandaag, morgen zullen betalen. We hebben er dus een eigenbelang bij dat het in deze stad goed gaat.

Ik ben dus bekommerd, als Brusselaar en als Vlaming. Dat is belangrijk want wie bekommerd is, is ook betrokken. Er zijn vandaag door de minister-president van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest harde woorden over mij gesproken.

We hebben gisteren gemerkt dat men eerst heeft geprobeerd om het debat te communautariseren. De Vlamingen stellen een politiezone voor, zij willen een machtsputsch in Brussel uitvoeren. Welnu, ik geloof niet dat er veel Vlamingen zijn die dat willen. Vandaag heeft men geprobeerd om het debat te personaliseren. Ik zou gefrustreerd zijn. Ik denk niet dat ik eruit zie als iemand die gefrustreerd is. Ik ben zeer gelukkig, voor wie daar nog zou aan twijfelen.

Maar ik ben een product van het katholiek onderwijs. In het Instituut Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen in Sint-Niklaas hebben ze me geleerd dat men moet kunnen vergeten en vergeven. Dus de woorden die minister-president Picqué vandaag over mij heeft gezegd, die vergeet en vergeef ik. Het gaat immers niet over mij, niet over Pascal Smet, niet over Charles Picqué. Het gaat over de stad, haar inwoners, de pendelaars die hier dagelijks komen werken en gewone mensen, ongeacht hun kleur, die op elk moment van de dag zonder enig probleem buiten willen komen.

Het gaat, zoals wij dat in Vlaanderen noemen, over efficiëntiewinsten. Hoe kan men het geld dat in deze stad wordt uitgegeven door Brussel, door de gemeenten, door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, maar ook door de Vlaamse Gemeenschap, zo efficiënt mogelijk besteden? Daarover gaat het.

Ik ben blij dat er in Vlaanderen een consensus bestaat over het feit dat er een politiezone moet komen. Dat is goed bestuur. Steden als New York, Parijs en Londen zijn veel groter dan Brussel maar hebben toch ook maar één politiezone. Ik weet niet of iemand al een probleem heeft gehad met de politie in een van die steden. Ik heb het al meegemaakt. In een stad als Parijs stel je dan vast dat de politie heel lokaal is georganiseerd. Wanneer we dus zouden gaan naar één politiezone, betekent dat niet dat de nabijheid verloren gaat. Ik ben het er echter mee eens dat wij hier vandaag niet de techniciteit moeten bespreken van zo’n politiezone. Dat is voor het federale parlement.

Mijnheer Gatz, ik heb de minister-president van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest geen luie gepensioneerde genoemd. Ik heb gezegd dat ik vraag dat de heer Picqué, minister-president van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, die een coördinatiefunctie heeft, iedereen bijeen zou brengen. Hij moet zijn verantwoordelijkheid nemen. Ik betreur het gekibbel dat daarover is ontstaan. Want nogmaals, het gaat niet over mij of over Picqué maar over de stad en haar inwoners.

In het Vlaams regeerakkoord staat dat we van een Vlaamse aanwezigheidspolitiek in Brussel naar een Vlaamse betrokkenheidspolitiek willen gaan. De Vlaamse Regering wil actief meewerken aan haar hoofdstad. Dat betekent dat we via Onderwijs, Welzijn en allerlei andere domeinen zullen blijven investeren in die stad. Wij hebben de hand gereikt, niet alleen voor de gemeenschapsmateries maar ook voor de gewestmateries. Daarover moet het gaan.

Gisteren heb ik in Terzake gevraagd om een pact over Brussel waarbij alle overheden samenwerken. Daarover moet het gaan.

Collega’s, The Economist, niet meteen mijn lijfblad maar je moet het wel lezen voor de analyses, bracht een paar jaar geleden een mooi artikel over succesrijke steden in de wereld. Daarin kwamen twee kritische succesfactoren naar voren: onderwijs en bestuur. Laat nu net dat de twee factoren zijn waarop Brussel heel zwak scoort.

Bestuur is misschien niet onmiddellijk onze directe verantwoordelijkheid, maar we doen er wel aan mee: via de Vlaamse Gemeenschapscommissie en rechtstreeks via vele acties. Ook andere gemeenschappen en vele gemeenten komen tussen. Het is een zaak van de Brusselaars om dat, samen met ons, aan te pakken.

Voor onderwijs ben ik als Vlaams minister bevoegd in deze stad. Er is inderdaad een probleem van spijbelen. Mijn voorganger, de heer Vandenbroucke, heeft tijdens de voorbije legislatuur terecht het initiatief genomen om met het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Franse Gemeenschap samen te zitten en eindelijk informatie uit te wisselen. Zo kwam er eindelijk een einde aan die absurde toestand waarbij men dacht: “Die kleine zit niet bij ons in de Franstalige school, hij zal wel in een Vlaamse school zitten.” En de Vlamingen, die misschien al iets beter georganiseerd waren, wisten dat dit niet het geval was, maar het gebeurde dan maar. Wij weten nu hoeveel kinderen problematisch afwezig zijn. Dat gaat soms met horten en stoten. Het is niet altijd gemakkelijk om met die gemeenten samen te werken. Twee weken geleden, mevrouw Brusseel, hebben mijn medewerkers in die gemeenschappelijke commissie afgesproken dat we met de gemeenten zullen afspreken hoe die informatie-uitwisseling beter kan verlopen.

Vandaag zijn er in deze stad 617 kinderen die niet naar school gaan. We hebben hun namen overgemaakt aan het parket. De procureur des konings heeft mij een laconieke brief geschreven om te zeggen dat hij niet bevoegd is om op te treden. Dat is een beetje raar want in Vlaanderen doen de procureurs het wel. Ik heb dan geaarzeld. Zou ik rechtstreeks met de minister van Justitie contact opnemen, of met de procureur? Neen, ik ben rond de tafel gaan zitten met mijn Franstalige collega, mevrouw Simonet van de Franse Gemeenschapsraad. We hebben afgesproken dat we willen samenwerken in Brussel, samen met het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, om het onderwijs beter te organiseren. Wij zullen ook een gezamenlijke demarche doen ten aanzien van de procureur des konings. Alvorens de minister van Justitie aan te schrijven, wil ik eerst de procureur zien, ik ken hem nog uit een vorig leven, om te proberen tot een oplossing te komen en ervoor te zorgen dat het parket in Brussel optreedt in het kader van de spijbelproblematiek.

Ook daar geldt, mevrouw Brusseel: “It takes two to tango.” Ik vind het een beetje raar dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest geld geeft aan de spijbelproblematiek zonder dat mevrouw Simonet er iets van afwist en zonder dat ik er iets van afwist. Wij steken de hand uit naar het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om samen te werken. Wij zullen dat doen in alle bescheidenheid en in alle nederigheid. Deze Vlaamse Regering wil werken aan een nieuw pact in deze stad.

Aan de mensen van de N-VA wil ik zeggen, om elk misverstand te vermijden: ik ben uiteraard niet tegen de gegarandeerde vertegenwoordiging van de Vlamingen in de hoofdstad. Die is gekoppeld aan de federale regeling inzake de pariteit in de federale regering tussen Nederlandstaligen en Franstaligen. Die koppeling is er en ze moet bestaan. Maar als we met zijn allen vandaag, gisteren en morgen pleiten voor minder politici in Brussel, betekent dat automatisch ook dat je minder Nederlandstalige politici zult hebben. Dat is de logica der dingen. We moeten erover nadenken hoe we de gegarandeerde vertegenwoordiging kunnen blijven garanderen. Dat is het enige wat ik in dat verband heb gezegd.

Tot slot, dames en heren, en mijnheer Bouckaert, nog één iets. Ik ben nogal coherent in mijn leven. De parabel van de verloren zoon is inderdaad een heel mooie parabel. We kennen die parabel nog van in het katholiek onderwijs. Ik ben coherent. Ik heb als Brussels minister niets anders gezegd. Ik heb als Brussels minister inspanningen gedaan om daartoe te komen. We hebben vooruitgang geboekt. Ik weet hoe moeilijk dat is. Dat is dus niet het issue.

Ik hoop dat wij vanuit de Vlaamse Regering met de Brusselse regering maar ook met de Franse Gemeenschapsregering samen kunnen zitten om samen de problemen van deze hoofdstad op te lossen. Want Brussel, of we dat nu willen of niet, is de toekomst van Vlaanderen. En diegenen die Vlaanderen willen loslaten, laten hun eigen toekomst los. Dus geen Brussel-bashing, maar bekommerd zijn om Brussel: daar ga ik voor. (Applaus bij de meerderheid en Vlaams Belang)

De heer Sven Gatz: Minister, ik neem akte van uw goede bedoelingen, die wij delen. We zullen natuurlijk kijken naar de mogelijke resultaten, al bent u voor bepaalde resultaten afhankelijk van de samenwerking met anderen.

Ik wil het echter ook nog even hebben over uw taalgebruik. U hebt inderdaad niet gezegd dat de minister-voorzitter van het hoofdstedelijke gewest een luie geprepensioneerde is. Dat is een dichterlijke vertaling, die ik mezelf heb veroorloofd te maken. U hebt echter wel gezegd dat het tijd is dat hij in actie schiet, want “hij is toch zeker niet op prepensioen”. Er is in de politiek soms een dunne lijn tussen een aantal begrippen. U zit al lang genoeg in de politiek en bent communicatief en communicator genoeg om te weten wat u kunt zeggen in een tv-studio en wat niet. De Pascal Smet die ik daarnet op het spreekgestoelte heb gehoord, die bevalt me wel, omdat hij zoekt naar oplossingen. Degene die ik gisteren heb gezien, daar heb ik mijn grootste twijfels bij. Men kan niet met iemand gaan praten als men hem op de vooravond van een gesprek op de een of andere manier beledigt. Als het uw bedoeling was, dan is het doortrapt. Als het niet uw bedoeling was, dan was het onhandig.

Ik zal er verder geen zaak van maken. Het belangrijkste is, en ik neem aan dat we het daar allemaal over eens zijn, dat als wij kunnen bijdragen tot de veiligheid in Brussel, zelfs als dat in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de mensen in Brussel zelf is, en ze zouden dat dringend moeten gaan beseffen, we dat ook moeten doen. Als dat de conclusie is van dit debat, dan ben ik alvast tevreden.

De heer Luckas Van Der Taelen: Voorzitter, ik heb het woord gevraagd om een actualiteitsmotie aan te kondigen, maar vooral om een antwoord te krijgen op mijn vraag. Mijn actuele vraag is omgevormd tot een debat, wat ik een goed idee vind. Ik had echter wel een actuele vraag gesteld aan de minister-president. Minister-president, mijn vraag luidde heel eenvoudig of u van plan bent om contact op te nemen met uw ambtgenoot van de Brusselse regering om een topoverleg te houden over Brussel. Ik denk dat dat belangrijk is.

We hebben hier allemaal mooie dingen gezegd over Brussel. Op bepaalde details na is er bijna een unanimiteit. Dat is een evidentie, dat weten we. Maar een nieuw feit zou zijn dat de minister-president zijn nek uitsteekt en vraagt hoe het nu zit in Brussel, dat hij zegt dat hij wil praten met minister-voorzitter Picqué. Ik zou daar graag een antwoord op hebben.

De heer Paul Delva: Het veiligheidsprobleem moet heel dringend aangepakt worden. Het ligt ook gevoelig. Het heeft immers een impact op, onder andere, de verhoudingen tussen Vlaanderen en Brussel. Ik zou iedereen die met dit thema bezig is – beleidsmakers, ministers, echt iedereen –, willen oproepen om een zekere galanterie of voorzichtigheid aan de dag te leggen in taal- en woordgebruik. Voor we het weten, drijven we van elkaar weg. Mensen willen dat niet. Mensen willen alleen oplossingen. Mensen willen geen conflicten tussen politici. Ik zou er echt bij iedereen op willen aandringen om met een grote voorzichtigheid maar ook met een duidelijk taalgebruik te tonen dat samenwerken met elkaar over de gewestgrenzen en gemeenschapsgrenzen heen de oplossing zal bieden.

De voorzitter: De heer Van Dijck heeft het woord.

De heer Kris Van Dijck: Minister, ik wil toch nog even ingaan op één punt. Over de schoolinschrijvingen en het spijbelen heeft dit parlement zich heel duidelijk gebogen. Toenmalig minister Vandenbroucke heeft toen heel wat initiatieven genomen. Mij stoort het nu mateloos dat het parket niet vervolgt terwijl er 617 jongeren afwezig zijn. Als men die allemaal samen zet, dan gaat het niet om een kleine school. Eventueel zullen we het daar in de commissie nog over hebben. Ik vraag met aandrang dat dit op de voet wordt gevolgd. Het gaat om een basisrecht voor kinderen. Dat met de voeten treden, kan niet. Ik vertolk de mening van velen. Degenen die hierin verantwoordelijkheid dragen, moeten ze ook ten volle opnemen. Na het uitklaren van de lijsten gaat het hier zeer duidelijk om de procureur.

Mevrouw Ann Brusseel: Ik dank de minister voor het antwoord. Ik vind het echter enigszins dunnetjes. Ik vind het fijn dat hij niet, zoals sommigen hier graag doen, aan Brussel-bashing wil doen. Zijn demarche en die dialoog kunnen interessant zijn. Eigenlijk vind ik dat hij weinig concreets zegt. We weten niet wat dit zou inhouden. Hij geeft niet aan welke concrete oplossingen hij in gedachten heeft. Ik mis dat een beetje. Ik hoop dat in de loop van de komende weken alsnog te horen.

De heer Erik Arckens: In de eerste plaats wens ik een actualiteitsmotie aan te kondigen. Daarnaast wil ik nog een paar zaken rechtzetten.

Er heeft hier niemand aan Brussel-bashing gedaan. Ik zou anders graag horen wie Brussel hier heeft afgestoten.

Bij zijn aantreden in de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) heeft de minister verklaard dat er in Brussel vijfhonderd storende jongeren zijn. Er is enkele minuten geleden naar verwezen. Ik wil het hier niet over dit getal hebben. Er is duidelijk een harde kern. We moeten, zoals de heer Bouckaert heeft gesteld, de zaken durven benoemen. Dat had de minister ook moeten doen toen hij nog lid van de VGC was. Wat die groepen betreft, moeten we een harde aanpak durven bewerkstelligen.

Ik ben blij dat de politieke correctheid in Vlaanderen gedeeltelijk is doorbroken. Het is in mijn ogen nog niet voldoende. Het is een waar genoegen dat de heer Bouckaert hier zit. Ik zou graag tien mensen van zijn genre zien. Het maakt niet uit welke ideeën ze verkondigen. Ze mogen extreem-links of zo zijn. Hij is iemand die de vrije gedachte echt verdedigt. Een maatschappij als Vlaanderen heeft zo iemand nodig.

Er wordt over de relatie tussen immigratie en criminaliteit gesproken. Dit is een teer punt. Volgens mij is er een dergelijk verband. De vraag is gewoon welk verband er is. Er is geen automatisch, direct causaal verband. Het gaat hier om de desintegratie van de allochtone structuren. Auteurs hebben het meermaals over de desintegratie van Marokkaanse families. Ze hebben het niet over de Turken.

Daar bestaan boeken en tijdschriften over. In Nederland bestaat alles. In Vlaanderen is dat niet het geval. Dit debat moet hier worden gevoerd. Het mooie is dat dergelijke debatten in Nederland door links worden gevoerd. Daar zijn wij vandaag nog niet aan toe.

De heer De Wever heeft zijn mond vandaag nog niet geopend. Ik lees zijn opiniestukken graag. Om de een of andere reden heeft hij nog niet gesproken. Ik kan hem ook niet dwingen te spreken.

Tot slot wil ik opmerken dat het volgens sommige mensen om een point of no return gaat. Ik heb in Brussel persoonlijk al honderden points of no return meegemaakt. Ik weet waar ik ga en waar ik niet mag gaan. Sommigen weten dat niet. Het is misschien beter dat ze daar niet komen. Ik doe echter niet aan Brussel-bashing.

Het was een ‘fructueus’ debat, zoals men dat in het Frans zou zeggen. Ik hoop dat er nog meerdere dergelijke debatten zullen volgen. (Opmerkingen)

De voorzitter: Minister-president Peeters heeft het woord.

Minister-president Kris Peeters: Wat de vraag van de heer Van Der Taelen betreft, wil ik even naar de vergadering van het Overlegcomité van deze ochtend verwijzen. Minister-president Picqué en ikzelf hebben deze vergadering bijgewoond. We hebben even van gedachten gewisseld. Ik heb verklaard dat we de zaken verder kunnen en willen bekijken. Daar moet nog een vervolg op komen. Dat moet natuurlijk in overleg met andere ministers, onder wie minister Smet, gebeuren. Eigenlijk is de vraag al beantwoord nog voor de heer Van Der Taelen ze had gesteld. We moeten dit nog wel concretiseren. We moeten bepalen waarover verder kan worden gesproken.

De voorzitter: Vraagt nog iemand het woord? (Neen)

Het debat is gesloten.

De voorzitter: Actualiteitsmoties

Door de heer Van Der Taelen, door de heer Arckens en door de heer Bouckaert werden tot besluit van dit actualiteitsdebat actualiteitsmoties aangekondigd. Ze moeten uiterlijk om 16.15 uur zijn ingediend.

Het parlement zal zich daarover straks uitspreken.

Het incident is gesloten.

Verslag actualiteitsdebat 3 februari 2010 – Leefbaarheids- en veiligheidsproblematiek Brussel