Aanbevelingen bij beleidsnota Onderwijs

Ann Brusseel: "In onze motie vragen wij aandacht voor 34 specifieke knelpunten in het Vlaamse onderwijsbeleid."

Ann Brusseel: "In onze motie vragen wij aandacht voor 34 specifieke knelpunten in het Vlaamse onderwijsbeleid."

  1. gelet op de eerder beperkte budgettaire mogelijkheden, voldoende duidelijk aan te geven welke concrete keuzes er qua beleidsprioriteiten binnen deze legislatuur zullen gemaakt worden;
  2. belangrijke maatregelen in het onderwijs en dito wijzigingen aan de regelgeving niet enkel te laten voorafgaan door een overleg tussen de overheid, de onderwijsnetten en de sociale partners maar tevens te voorzien in een breed maatschappelijk debat waarbij ook de betrokkenen niet uit het oog worden verloren (leerlingen en studenten, ouders enzovoort);
  3. dat het uitvoeren van evaluaties en onderzoeken geen excuus zou worden om terug te komen op bepaalde maatregelen die hun nut reeds hebben bewezen of voor het op de lange baan schuiven van bepaalde dossiers. Daar waar nu reeds bepaalde conclusies kunnen getrokken worden, zou dit best ook worden gedaan. Nuttige inzichten, goede maatregelen en veelbelovende projecten dienen te worden ingepast in een duidelijk strategisch kader voor de toekomst;
  4. tijdig in te spelen op de demografische verwachtingen en de uitdagingen die deze met zich zullen meebrengen onder meer inzake het capaciteitsprobleem. Bij het uitwerken van maatregelen dient men zich evenwel niet louter te focussen op de toestand in de groot- en de centrumsteden;
  5. een bijzondere aandacht te blijven hebben voor de specifieke onderwijssituatie in Brussel;
  6. na te gaan in hoeverre de voorziene middelen voor pedagogische ondersteuning voor scholen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en bepaalde gemeenten van de Vlaamse Rand niet kan worden uitgebreid voor de gehele regio Halle-
    Vilvoorde;
  7. gelet op het belang van een goede talenkennis enerzijds en de feitelijke toestand inzake de taalbeheersing anderzijds, volop in te zetten op maatregelen die het taalonderricht in zowel het Nederlands als in vreemde talen daadwerkelijk ten goede komen. Scholen moeten aangespoord worden om gebruik te maken van de mogelijkheden om reeds in het basisonderwijs aan taalgewenning te doen. Specialisten geven immers aan dat het beginnen met onderricht in vreemde talen in het vijfde leerjaar, eigenlijk te laat is. Een bijzondere aandacht wordt gevestigd op de positieve resultaten van het immersieonderwijs. De ervaringen met de CLIL-methode (‘Content and Language Integrated Learning’) dienen geëvalueerd te worden en hierbij dient tevens gekeken te worden naar de ervaringen in het buitenland dienaangaande. Uitwisselingsmogelijkheden voor het onderwijzend personeel in de drie gemeenschappen van ons land moeten ten volle gestimuleerd worden;
  8. experimenten zoals de werking van een elektronische inschrijving ter voorkoming van wachtrijen bij het inschrijven, te evalueren en indien nodig bij te sturen maar hierbij allerminst in te boeten op de basisprincipes van het gelijkekansenbeleid;
  9. de studiefinanciering automatisch toe te kennen;
  10. gelet op de wetenschappelijke bevinding dat leerachterstand reeds in een zeer vroeg stadium aanvangt, te voorzien in een voortzetting van het beleid inzake het stimuleren van de instroom in het kleuteronderwijs (kleuterparticipatie). Eventuele taalachterstand als bepalende factor voor een leerachterstand dient in een zo vroeg mogelijk stadium te worden gedetecteerd zodat hieraan op een passende wijze kan geremedieerd worden;
  11. daar waar onder meer in de steden zich tekorten voordoen inzake het aantal beschikbare plaatsen in het kleuteronderwijs, te voorzien in bijkomende capaciteit en waar klassen te groot zijn, moet kunnen worden voorzien in kleinere klassen en een degelijke omkadering qua zorg;
  12. zonder afbreuk te doen aan de noodzakelijkheid van een breed maatschappelijk debat rond de hervorming van het secundair onderwijs, niet onnodig te dralen met de invoering van deze hervorming;
  13. te voorzien in de inzet van hoger gekwalificeerd personeel in het vijfde en zesde leerjaar van het basisonderwijs teneinde beter de kloof te kunnen dichten met de eerste graad van het secundair onderwijs;
  14. passende maatregelen te nemen om de hoge ongekwalificeerde uitstroom in Vlaanderen verder in te dijken, via onder meer een detectie van eventuele hiaten in het aanbod, een gedegen studiekeuzebegeleiding in de aanloop naar het secundair onderwijs, een modularisering van de structuur en het uitreiken van deelattesten. Deze uitstroom vormt immers een zware belasting voor de gehele samenleving;
  15. ook in functie van deze hervorming na te gaan waar de lerarenopleiding dient te worden aangepast; tevens voldoende aandacht te hebben voor de omkadering van de jonge beginnende leerkracht door bijvoorbeeld te voorzien in een specifieke instapregeling en het concept van het mentorschap voor de meer ervaren leerkracht, als alternatief op het lesgeven, te weerhouden;
  16. de nascholing van leerkrachten, die beduidend lager is dan deze in het buitenland, te stimuleren;
  17. de situatie rond het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap nauwgezet op te volgen en spoedig te voorzien in een evaluatie van het beleid ter zake;
  18. bijzondere aandacht te hebben voor de toestand in het bso (beroepssecundair onderwijs) en het tso (technisch secundair onderwijs). Het bedrijfsleven verwacht dat het onderwijs voldoende arbeidsmarktgericht is, maar dient ook op zijn eigen verantwoordelijkheid gewezen te worden. Concreet dienen passende maatregelen genomen te worden of moet alvast een faciliterend beleid worden gevoerd waardoor kan worden voorzien in voldoende stageplaatsen voor leerkrachten en leerlingen. Ook de kwaliteit van het werkplekleren is essentieel om te voldoen aan de nood aan een volwaardige werkervaring. Het onderwijs moet hiertoe eveneens een voldoende attractief alternatief zijn voor zij-instromers om hun baan in te ruilen voor een job in het onderwijs. Het behoud van anciënniteit is hierbij een absolute must;
  19. om in het bijzonder in het nijverheidsonderwijs, waar het gebruik van machines een noodzakelijk onderdeel vormt van de opleiding, ter zake blijvend te zoeken naar de meest efficiënte samenwerkingsmogelijkheden via de RTC’s (regionaal technologisch centrum) en met het bedrijfsleven en de VDAB (Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding);
  20. op een structurele wijze aandacht te besteden aan herinnerings- en vredeseducatie in het kader van een vorming en opvoeding die uitgaat van een open kijk op mens en maatschappij en invulling tracht te geven aan de begrippen ‘burgerschap’ en ‘democratie’;
  21. in het kader van de leerzorg te komen tot een model dat de principes van inclusief onderwijs enerzijds en een vernieuwde structuur voor het buitengewoon onderwijs die beantwoordt aan de huidige vereisten anderzijds, op een aanvullende wijze met mekaar combineert. Het voorzien in voldoende omkadering via onder meer de zorg- en de gon-uren (geïntegreerd onderwijs) is hierbij essentieel voor het welslagen;
  22. vanuit de vaststelling dat het aantal kinderen in het buitengewoon onderwijs toeneemt, na te gaan in hoeverre de diagnosticering op een juiste wijze gebeurt;
  23. ongewenste effecten van de regeling aangaande de maximumfactuur tijdig in te schatten en hier op een gepaste wijze aan te remediëren;
  24. na te gaan in hoeverre de mogelijkheden inzake het tweedekansonderwijs en het levenslang leren op een meer optimale wijze kunnen worden benut;
  25. gelet op de enorme noden ter zake en tevens gelet op de demografische verwachtingen, volop in te zetten op een inhaalbeweging voor een duurzame en energiezuinige infrastructuur in het leerplichtonderwijs;
  26. te voorzien in een decretaal initiatief inzake het deeltijds kunstonderwijs teneinde onder meer duidelijkheid te verschaffen over de verdere rol, de opdracht en de plaats van deze onderwijsvorm binnen het onderwijslandschap ten overstaan van het leerplichtonderwijs;
  27. blijvend in te zetten op de aanpak van anti-sociale gedragspatronen zoals pesten en spijbelen en te voorzien in omkadering voor de preventie van zelfdoding en psychische problemen;
  28. het decreet op het hoger beroepsonderwijs, dat vertraging kent in zijn uitvoering, niettemin ten laatste tegen 2013 te evalueren;
  29. wars van taboes en politieke overwegingen, maatregelen te nemen voor een vlotter gebruik van andere talen in het hoger onderwijs;
  30. na een breed maatschappelijk debat, onder meer via een hiertoe voorziene discussiegroep, de academisering van het hoger onderwijs af te ronden. Hierbij dient niet enkel duidelijk te worden hoe en met welke taakomschrijving de hogescholen zich dienen te verhouden tot de universiteiten. Ook een aanverwante discussie zoals deze met betrekking tot de rationalisatie mag hierbij niet uit de weg worden gegaan;
  31. in het kader van een harmonisering met de overige EU-lidstaten, te voorzien in een zesjarige artsenopleiding;
  32. de belofte om te voorzien in moderne studentenvoorzieningen en de studiefinanciering te verruimen, na te komen;
  33. gelet op de bijzondere ervaring die studeren in het buitenland inhoudt, de mogelijkheden hiertoe verder te promoten;
  34. om bij de codificatie van de Vlaamse onderwijsregelgeving te streven naar wetsmatiging en het schrappen van irrelevante regelgeving.

Deze motie werd verworpen in de plenaire vergadering van 24 april 2010.

Volledige tekst met redenen omklede motie 202 bij beleidsnota onderwijs.

Procedureverloop