Ambitieus lerarenloopbaanpact hoogdringend

Krachtlijnen voor Open Vld

  • Betere ondersteuning leerkracht
  • Versterken van zij-instroom, zowel leerkrachten als directies
  • Flexibeler personeelsbeleid mogelijk maken

 

De uitdagingen

Er bestaat weinig twijfel over: binnen enkele jaren stevenen we af op een lerarentekort.  Al in april 2014 waarschuwde de Vlaamse Onderwijsraad ervoor dat er tegen 2020 ruim 20.000 extra leerkrachten noodzakelijk zouden zijn. Indien we demografische groei van de leerlingenaantallen, de uitstroom door pensionering, de vergrijzing van het lerarenkorps en het toenemend ziekteverzuim mee in acht nemen, komen we nog tot een hoger cijfer. Wat dit laatste betreft zien we dat een personeelslid in het onderwijs in 2015 gemiddeld 16,35 dagen ziek was, waarbij het voor een groot gedeelte gaat om de leeftijdsgroep van 46 tot 55 jaar. In 1 geval op 3 zijn psychosociale redenen de voornaamste oorzaak van ziekte bij leerkrachten; bij directeurs kan deze verhouding 1 op 2 zijn. Daarbij komt dat het lerarenkorps vandaag in zeer hoge mate vrouwelijk en autochtoon is. Ons onderwijs zou een betere afspiegeling van de maatschappij moeten zijn, met rolmodellen voor elk kind. Met een herwaardering van het lerarenberoep moeten we erin slagen terug meer mannen en mensen met een allochtone achtergrond aan te trekken.

Toch moeten we geen algemene conclusies trekken: het is haast onbegonnen werk om een totaalbeeld van het actueel lerarentekort te krijgen, laat staan een nauwkeurige prognose op middellange termijn. Dat heeft ten dele te maken met de manier waarop de schoolnetten communiceren. Scholen uit het vrije net bijvoorbeeld bepalen zelf hoe zij met hun vacatures omspringen; het GO! daarentegen heeft een regeling waarbij kandidaat-leerkrachten zich voor 15 juni moeten registreren in een pool waaruit de scholen dan het komend schooljaar kunnen werven. De vacatures die bij de VDAB terecht komen zijn meestal voor vervangingsopdrachten van beperkte duur. In 2016 ontving de VDAB er een totaal van 13.813: een stijging van 35% vergeleken met het voorgaande jaar. De toename is ook merkbaar voor lesopdrachten in het buitengewoon onderwijs.

Wanneer het over lerarentekorten gaat, zullen er ook steeds regionale verschillen zijn. Zo is de vraag zeer groot in de provincie Antwerpen, gevolgd door Vlaams-Brabant. In deze laatste is het aantal jobaanbieding het afgelopen jaar zelfs verdubbeld in vergelijking met 2015. Ook in steden en gemeenten met een groot percentage aan leerlingen die vroegtijdig de school verlaten zonder getuigschrift of diploma, is de nood aan kwaliteitsvolle en enthousiasmerende leerkrachten groot. De vraag naar leerkrachten secundair onderwijs zal eveneens groter zijn, met bijzondere aandacht voor bepaalde vakken.  Vacatures voor leerkrachten Frans, wetenschappen, wiskunde en technische vakken geraken moeilijker ingevuld. Dit is niet nieuw: al in april 2015 uitte de VDAB exact de zelfde ongerustheid. Het afgelopen jaar echter nam het aantal niet-ingevulde jobs toe: in sommige maanden waren er tot 900 openstaande vacatures

Kortom, dit zijn uitdagingen waarvoor er geen pasklare oplossing bestaat. Een eerste stap in de goede richting is daarbij de maatschappelijke opwaardering van de leerkracht. Uit een onderzoek van TALIS (Teaching and Learning International Survey) uit 2013 blijkt dat 45% van de leerkrachten het er mee eens is dat hun beroep door de maatschappij wordt gerespecteerd. Dit lijkt weinig, maar internationaal vergeleken scoort alleen Finland hoger met bijna 60%, terwijl de Franse en Zweedse leerkrachten onderaan de grafiek verschijnen met minder dan 10%. Door in te zetten op sterkere, beter voorbereide en professioneel omkaderde leerkrachten kan de tendens in positieve zin worden omgebogen.

Leraar word je gaandeweg

De eerste noodzakelijke stap is een versterkte lerarenopleiding. Daarom is Open Vld alvast tevreden met een betere screening van de kandidaat leerkrachten door middel van een niet-bindende instapproef aan de start van de bacheloropleiding. Met een te zwakke instroom kan er immers geen hoger niveau bereikt worden. (Uit peilingen naar algemene kennis en de eerste afname van de instapproef werd de noodzaak aangetoond). Daarnaast gaan we ervan uit dat een sterkere opleiding ook sterke studenten zal aantrekken.[1] Inhoudelijke aanpassingen aan de opleiding dringen zich ook op, zowel op vlak van algemene vorming als op vlak van omgaan met diversiteit in de klas. Vandaag wordt de toekomstige leerkracht te weinig voorbereid op lesgeven in een meertalige stedelijke context, terwijl de uitdaging daar precies nijpend is. Gevolg: startende, pas afgestudeerde leerkrachten komen vaak in moeilijke klassen terecht, en de kans dat zij dit niet lang vol houden is reëel. Open Vld stelt daarom voor dat de professionele bachelor gedurende drie jaar de basisopleiding volgt en vervolgens aansluiting gezocht kan worden bij bachelors-na-bachelor voor specialisaties, zoals vreemde talen en meertaligheid, cultuureducatie, leerlingenbegeleiding, mentorschap of schoolmanagement. Toekomstige leerkrachten hebben bovendien niet alleen stage gelopen in de school van hun keuze, maar in een divers aantal scholen, waaronder minstens één school in een grootstedelijke context.

Ten tweede moet er voorzien worden in een degelijke aanvangsbegeleiding voor de startende leerkracht. Teveel jonge leerkrachten verlaten nu heel snel het beroep: binnen de eerste vijf jaar vertrekt 22% van de leraren uit het secundair, 14% uit het lager en 12% uit het kleuteronderwijs. Eén van de redenen die ze hiervoor aangeven is dat de job zwaarder uitvalt dan verwacht tijdens de lerarenopleiding: alle taken – binnen en buiten de klas – in je eentje vervullen blijkt bijzonder intensief. Daarom pleiten we voor een ‘starter-statuut’, met wat minder lesuren en vooral met feedback van de meer ervaren collega’s die de rol van mentor op zich nemen. Een andere verzuchting van de starters is werkzekerheid. De heroprichting van regionale en net-overschrijdende vervangingspools is hiervoor de meest duurzame oplossing.

Tenslotte kan je maar een goede leerkracht blijven als je én op pedagogisch vlak én binnen je vakgebied helemaal mee bent met de belangrijkste innovaties en ontwikkelingen. Daarom moet permanente en bijkomende vorming vastgelegd worden in het langverwachte loopbaanpact. De scholen moeten meer middelen krijgen, maar dat houdt ook in dat ze er allen een degelijke visie moeten over hebben. Vandaag betreft het een budget van gemiddeld 63€ per leerkracht in het basisonderwijs en 100€ per leerkracht in het secundair onderwijs. Denk enerzijds aan thematische bijscholingen voor elke leerkracht, bijvoorbeeld omgaan met diversiteit in alle mogelijke vormen. Anderzijds moeten ook gespecialiseerde vormingen mogelijk zijn, met het oog op promoties – om expert-leerkracht te worden in een bepaalde domein – of om een ander vak te kunnen geven. Vergeet niet dat vandaag veel leerkrachten voor de klas staan zonder het vereiste bekwaamheidsbewijs, terwijl grondige vakkennis toch essentieel is voor kwalitatief onderwijs. Uit de meest recente cijfers blijkt dat in de basisscholen ongeveer 85% beschikt over het vereist bekwaamheidsbewijs. Dit percentage is lager voor de leerkrachten uit het secundair onderwijs.

Uit onderzoek[2] blijkt dat de meeste scholen vrij ‘ad hoc’ bijscholing organiseren en dat het omzetten van de kennis opgedaan tijdens pedagogische studiedagen naar de klaspraktijk niet zo evident is. Er gebeurt al heel wat, maar er zou meer aandacht moeten zijn voor wat de ‘professionele leeromgevingen’ worden genoemd.  Als schoolteam wordt de opvolging van de bijscholing dan zo georganiseerd dat deze wordt toegepast op de klasvloer, daarbij gebruik makend van alle moderne technologieën ter ondersteuning. Niet alleen binnen de school moet er in team gewerkt worden, ook daarbuiten: lerarenopleidingen, de pedagogische begeleidingsdiensten en instanties die bijscholingen geven moeten elkaar versterken door informatie en best practices uit te wisselen op platformen.

Zowel de aanvangsbegeleiding als de bijscholing moeten ook meer zij-instromers aantrekken en aan boord houden. Er zijn op dit ogenblik ongeveer 15.000 leerkrachten in dienst die de overstap vanuit een andere beroepssector naar het onderwijs hebben gemaakt. Naast een betere financiële waardering van hun professionele ervaring is voor die groep ook gepaste omkadering nodig. Ondersteuning van de zij-instromers is echter maatwerk. Het kan niet de bedoeling zijn dat gemotiveerde en ervaren werkkrachten ontmoedigd worden door een standaardpakket aan vormingen en een gebrek aan feedback in de scholen zelf.

Een loopbaan met groeimogelijkheden

Open Vld is fervent voorstander van een loopbaan waarin expertise en persoonlijke ontwikkeling aangemoedigd en beloond worden. Het voorstel van een loopbaanladder maakt die verzuchting waar. Zo wordt komaf gemaakt met de vlakke loopbaan die slechts één beloning kent, zijnde de vaste benoeming. De starter vangt aan als gewoon leraar. Vervolgens zijn er verschillende trajecten mogelijk als expert-leraar voor wie zich specialiseert. We moeten komaf maken met het principe dat een leerkracht enkel kan promoveren tot directeur. Bij een expert-statuut hoort uiteraard ook een aangepaste verloning.

Deze werkwijze met een mix van profielen biedt de kans om tegemoet te komen aan de nood aan expertise op verschillende vlakken in een schoolteam. Zo kan men ook individuele leerkrachten waarderen om hun specifieke inbreng in het team en hen eigenaarschap geven voor bepaalde zaken, door hen bijvoorbeeld tot aanspreekpunt te maken voor zaken als innovatie of talenbeleid. Op die manier vermijden we dat de last van steeds meer taken op de schouders van elke leerkracht gelegd worden. Dit houdt wel in dat informatie vlot doorgegeven wordt en dat co-teaching en teamwork gestimuleerd worden in de scholen. We moeten immers af van de opvatting dat de leerkracht expert moet worden in alles en voor elk samenlevingsprobleem de oplossing klaar heeft. De kerntaak van de individuele  leerkracht is om kennis en vaardigheden over te brengen, en dit graag zo bevlogen mogelijk. Alle bijkomende uitdagingen zijn het volledige schoolteam te realiseren. Wellicht is dit één van de belangrijkste punten om onderwijsvernieuwing te doen slagen: leraren leren samenwerken.

Willen we de leerkracht erkennen in zijn en haar expertise dan volstaat het niet een mooi salaris te bieden. Naast doorgroeimogelijkheden moeten leerkrachten ook beroep kunnen doen op alle nodige didactische en pedagogische instrumenten, zonder hier zelf voor te moeten investeren. Vandaag worden hier en daar nog kosten doorgeschoven naar de leerkrachten, terwijl er werkingsmiddelen voorhanden zijn. Ook dit probleem moet aangepakt worden, indien mogelijk door meer middelen gericht in te zetten, weliswaar zonder extra planlast te veroorzaken.

Geef school en leerkrachten vrijheid & versterk directies

Als de sleutel ligt in het werken in team dan is het evenwichtig samenstellen ervan de conditio sine qua non. Daarom moeten directies en schoolbesturen meer vrijheid krijgen bij de aanwerving van leerkrachten. Dat is mogelijk door een versoepeling van de rechtspositieregeling. Het carcan van vaste benoemingen en reaffectaties is te vaak een rem op een goed personeelsbeleid. Een transparant statuut met werkzekerheid en meer flexibiliteit moet mogelijk zijn. Dit is overigens ook een vraag van het Rekenhof. Ook willen we niet langer de berekening van de tewerkstelling in lesuren. De job van een leerkracht behelst meer dan lesgeven alleen en werken in teamverband vereist een correcte berekening van de werklast. Dit houdt in dat de taak van een leerkracht als een weekopdracht van 38u wordt bekeken en ook op die manier samengesteld wordt, zoals in het hoger onderwijs.

Het succes van het lerarenloopbaanpact wordt evenzeer bepaald door schooldirecties en schoolbesturen. Elk mooi plan staat of valt met leiderschap, of het nu om een KMO of een school gaat. De directeur is iemand met verschillende vaardigheden: hij of zij kan mensen motiveren, heeft een pedagogische visie, kan problemen oplossen en communiceren met ouders, leerlingen en leerkrachten. Vandaag moeten veel directeurs zich helaas ook bezighouden met kafkaiaanse administratie en logistieke beslommeringen.

Daarom zijn twee zaken essentieel: maak door middel van schaalvergroting mogelijk dat elkeen zijn of haar kerntaken kan uitvoeren: laat de directeur dus leidinggeven aan zijn team en zorg voor de nodige ondersteuning aan de school voor de andere taken (financieel, logistiek en administratief beheer). Maak ook werk van de opleiding van directeurs, door in samenwerking met universiteiten een basisopleiding te voorzien. Deze behoort nu tot de bevoegdheid van de onderwijsverstrekkers, zijnde de koepels en netten. Er zijn echter maar weinig gegevens beschikbaar over inhoud en deelnemers.[3] Het is nochtans belangrijk de kwaliteit ervan te kennen.

Tenslotte is er geen enkele reden om voor leidinggevende functies in onderwijs enkel beroep te doen op voormalige leerkrachten. Ook voor de directiefuncties moet er meer zij-instroom komen.

Verschuiving van middelen

Een ambitieus loopbaanpact zal middelen vergen. Maar die zijn er. Als we de vergelijking maken met andere OESO-landen en ook binnen Vlaanderen de uitgaven van basis-, secundair en hoger onderwijs naast elkaar leggen, dan zien we dat we toch behoorlijk wat geld uitgeven aan het secundair onderwijs. Daarom zijn bepaalde verschuivingen nodig. Een eerste maatregel is het aanpassen van de noemers waarbij iedereen – behalve de starters en leerkrachten met een bijzonder zware opdracht [4] – minstens 22 uren lesgeeft. Deze lesopdracht past in de bredere werkopdracht van de 38-urenweek. Dergelijke maatregel levert 160 miljoen euro op die onmiddellijk geïnjecteerd kan worden in de lerarenloopbaan. Idealiter wordt het systeem van de noemers op termijn vervangen door een 38-urenweek, waarin de opdracht door de directie in overleg met de leerkracht bepaald wordt. Om deze werkwijze die al jaren vruchten afwerpt in het hoger onderwijs te kunnen invoeren, moet uiteraard een goede werklastmeting uitgevoerd worden.

Daarnaast kan ook het aantal lesuren voor de leerlingen een beetje verminderen. Er is immers geen duidelijke link tussen een hoog aantal lesuren en het prestatieniveau van leerlingen. Vlaamse leerlingen krijgen ook beduidend meer uren les dan het EU gemiddelde (28u). Landen waar de kwaliteit van het onderwijs hoog is, zitten hier zelfs nog onder. Deze leerlingen kunnen vaak zelfstandig naar school gaan zonder daarvoor op hun ouders te moeten rekenen. Indien de lesuren per leerling in de tweede en derde graad met twee uur per week verminderd worden, dan komt er nog eens 125 miljoen euro vrij. Deze maatregelen leveren een enorm budget op waarmee zij-instroom, aanvangsbegeleiding, professionalisering, innovatieve schoolorganisaties enzovoort gefinancierd kunnen worden. Tegelijk kan er gekeken worden of er meer middelen naar de minder gefinancierde onderwijsniveaus kan vloeien.

Met deze reeks maatregelen krijgen leerkrachten en schoolteams de vrijheid en zuurstof die ze meer dan ooit nodig hebben.

[1] Het aantal inschrijvingen in 2014-2015 was 24.838 aan de hogescholen en universiteiten, waaronder 1795 ’studenten die de specifieke lerarenopleiding voor masters volgden. Daarboven komen er 9.355 ’studenten aan de centra voor volwassenenonderwijs. Totaal is 34.193. Wat de uitstroom betreft zien we heel andere cijfers: in 2014-15 werden 6.266 diploma’s uitgereikt, waarvan 945 aan masters. Bij de professionele bachelor gaat het om grosso modo 1000 kleuterleerkrachten, 1500 lagere schoolleerkrachten en 2000 (lager) secundair onderwijs. Voor het volwassenonderwijs zijn er (nog) geen data. Wegens onzekere kwaliteit werd alle cijfermateriaal vóór de referentiedatum van 1 april 2015 offline gehaald. Globaal bekeken kunnen we stellen dat 1 student op 4, die start aan de lerarenopleiding, ook effectief een diploma behaalt. Voor de masters gaat het om meer dan 1 op 2.

[2] Onderzoek: OPBWO 07.01 KUL, 2011

[3] Daarom bepaalt de Vlaamse overheid ook niet de aanstellingsvoorwaarden en de organisatie van de opleiding – en is er ook geen zicht op het aantal deelnemers, zie SV van Ann Brusseel aan minister Crevits 130, 22 nov 2016; bijgevolg heeft ieder net haar eigen opleiding, met verschillende duur, insteken en kostprijs (vb. OVSG € 1050, POV € 800).

[4] Zoals lesgeven op veel verschillende locaties, verschillende en of nieuwe vakken moeten geven zonder enige parallelklas, etc.